Ik stelde me in op de nacht, om hem te kunnen begeleiden. Ik ging hierna echter een eigen leven leiden, uit zelfbehoud, ik ging na of ik zelf ook niet reageerde op andere mannen, ik herinnerde me de acrobaat, ik flirtte met collega’s. Wanneer ik in andere stukken verdeeld was zonder Eric, sloot ik de vriendschap met acteurs, die tussen man en vrouw aan het toneel zo dikwijls voorkomt, tegen elkaar, naast elkaar zitten in de bus, slapen op eikaars schouders, elkaar opzoeken in de kleedkamer, die merkwaardige vriendschap tussen collega’s, die niet tot seksconsequenties leidt, en toch van betekenis is, een vriendschap die ophoudt, als je de schouwburg verlaat, op weg naar huis. Toch bleef alles nog goed, Eric speelde prachtige rollen, Romeo, Julius Caesar, Oswalt in Spoken, de hertog in Driekoningenavond, en vele, vele andere. Ik overhoorde zijn rollen, hij overhoorde de mijne. Soms was hij zo weggeleefd in zijn rol, dat hij hem thuis wàs. In de periode van Julius Caesar liep hij rond, of hij een peplum droeg, deed hij hooghartig en als een milde vorst. Na de première sloeg zijn creatie-drift weg en was hij de nerveuze, geestige, charmante kameraad, die zeer van het goede in het leven wist te genieten. Tijdens repetities van zijn belangrijke rollen, waren de nachtelijke genietingen nihil, want mijn zeer vurige temperament onttrok kracht aan hem, die hij voor de arbeid, de zeer zware arbeid bij het scheppen van de rollen zeer nodig had. Ik wist dat, het was een moeilijke tijd,