De jaren vloeien uit naar de eeuwigheid, dat stellen we ons zo voor. Dat dringen we ons ook op wat het geluk betreft. We zouden gelukkiger zijn, als we ons daarvan los zouden maken. Er zijn perioden van geluk, kort, lang, het leven is tenslotte ook een periode, al wil ik wel bekennen, dat het voor mij eeuwig mag duren, zelfs op aarde, tussen alle gedonder in, met al het zinnige of niet zinnige gebral van mijn tijdgenoten, met alle valse muziek en hippe avonturen. Doch, het is gewoon niet zo, het gaat voorbij, we weten het vooruit, met nog de schrale troost dat we misschien, als we heel zoet zijn fijne vleugeltjes tussen de schouderbladen krijgen, wijduit fladderend langs de onbewoonde maan en de ruige Mars naar een oord zullen vertrekken, als vogels nadat de zomer voorbij is, waar een goddelijke, middel-landsezeezon ons zal opvangen, ons koesterend met de innige armen van een minnaar. Of, naar believen, van een minnares. Het leven is een periode, het geluk is een periode. Ik heb het al begrepen, toen ik een kind was en mijn ouders aan tafel hoorde praten over de grote liefdesvrouwen van Parijs. Want deze avonturiersters in de liefde trouwden zelden, bleven een incidentele vlam van zaligheid voor hun aanbidders, en brandden de harten om hen heen weg. Als kind vond ik dat eerlijk en puur