Hans straalde, helemaal de kunstenaar, die zich bekende in de wereld van de muze. Ten slotte trok iedereen weg, Hans zat aan een tafel met de spitsmuis en schonk haar sherry. Wij zaten te wachten of hij met ons mee zou gaan en zagen toe op him gesprek. Plotseling zei ze iets tegen hem, we zagen dat hij schrikogen kreeg, ze zei nog wat, en nog wat, en nog wat, toen stond ze op, gaf hem een hand alsof hij een vreemde was en ging weg. Verzakt, vreselijk klein en gekrompen bleef hij achter, in zijn mooie pak, met de spitse lakschoenen, ineens een komische underdog, vanwege de tegenstelling dat alles aan hem glansde, behalve zijn twee verdroogde ogen, zijn gekrompen hoofd in de opschepperige boord. We gingen naar hem toe, vroegen wat er was. Zij had het uitgemaakt. Zij had een ander leren kennen. Hij ging met ons mee naar huis, zei niet veel, was in zichzelf gekeerd, met aldoor die droge, donkere ogen. Hij at wat, ging naar bed, ging de volgende dag naar school. Hij trad weer in de tredmolen van zijn dagelijkse leven, en scheen het na een paar weken overwonnen te hebben. Tot de politie bij ons kwam en vertelde, dat ze hem in de duinen gevonden hadden, terwijl hij naakt tussen de halmen ronddwaalde, zoekend naar paartjes, en vooral naar jonge meisjes, om ze te verschrikken, waarop hij giechelend verder zwierf.
Pa liet hem naar Rozenburg brengen, ter verpleging-
Na een paar maanden kwam hij thuis, genezen.