jasper: Goed zoo. Nou mag je ’r alles vertellen, m’n kind.... En nou laat ik jullie alleen. . . .
mop: Nee, wij gaan wel. ... We zorgen voor den avondboterham. . . . Nee, Jasp, jij niet in de keuken. . . . jasper: Goed. Goed. Maar geen verdere waterlanders. Verloren hebben we niets.
miep: (sterk) Ik zal moeder wel troosten, vader. ... (af met Mop in keuken)
ACHTSTE TOONEEL
- * * JASPER E E F
eef: (verschijnt boven uit de slaapkamer in nachtgewaad, wil de dansende lamp uitblazen. Met dat ze zich bukt, schiet vanuit hef nog niet opgeborgen theegerei, op den achtersten tafelrand, een rat omhoog, die wild heen en weer stuipt, een kopje af smijt, dan met angstig geschreeuw op 9t middentapijtje plonst. Eef stolpert hijgend naar de achterdeur, tracht die te openen, plonst op de knieën bij de reet-opening van het vloerzeil, en terwijl de lamp als een sloom-bungelende klok heen-en-weer wiegelt en dooft, gilt ze met de Handen als een toeter voor den mond:) . . . .Hullep f Hullep!. . . . Hullep dan, Jasper. . . .! jasper: (onder de opening neerzittend) . . . .Jaag jij me de stuipen op m’n driekwart lichaam, sylphide?
eef: (woest met 9n lap om zich heen zwaaiend, om den verdwenen vijand van zich af te houden) . .. .Ach, me lieve Jasper, God zal je zegenen, kom gauw is boven. ... Ik sterf. ... Ik sterf, Jasper. ...
jasper: Ja, ja, krekel - ik sterf ook vandaag of morgen, als ’r geen onvertogen dingen tusschenbeiden komen, maar voor jij me ’t geduldig voorbeeld geeft - sinds wanneer observeer je mij en m’n familie door dat vernuftige kijkgat?. . . . eef: . . . . Jasperlief, God zal je zegenen, praat daar nou niet
106