Maar zoo waarachtig as de Eeuwige, onze God, me hoort — geen speld — geen nagel an z’n doodkist — geen spoog water al leit-ie voor me deur te krimpen, as-ie jou trouwt!
Rose (achteruitwijkend). Ik wil geen geld.
Sachel. Blijf staan, staan! Wegloopen van ’n weer-looze! De tijd van Simson is voorbij — ’k zit in geen tempel — zuilen zijn ’r niet! Jij Filistijn, jij
sluwe Filistijn! (een stilte ) Hoeveel mot ’k
dokken ?
Rose. Dokken?
Sachel (nijdig). Dokken, dokken, dokken! ’k Praat toch geen Hebreeuwsch! Hoeveel mot je? Hoeveel
wil je? Voor losprijs — van me zoon (een
stilte). Sta je nou te lachen? Ben je wéér bang, da’k an je stem zal merken hóé happig je ben? Zeg op! Je heb me ’r toch tusschen! (een stilte). Hoeveel? Krijg ’k antwoord?
Rose. Daar ken ’k geen antwoord op geven.
Sachel. Ken je dat niet? Mot je ’r eerst’n nacht over slapen? Ben je met honderd gulden tevrejen — honderd gulden, honderd gulden: daar mot ’k ’n verreljaar voor sappelen en schwitzen! — honderd gulden dadelijk — en nog is honderd over ’n half jaar, as we in die tijd niks van je hooren? Da’s
7 97