den-voor-onbehuisden zouden kunnen zijn — mijmert over ’t nationaal christendom met snelvuurkanonnen, bijbelgenootschappen, repeteergeweeren, zendelingen, politiek, traktaatjes, Kuypertjes, Heemskerckjes — phi-losofeert over de hardnekkige taaiheid van onverschillig welke kerk, als tegenstandster van volkomen menschelijkheid en volkomen beschaving (laat ’k r niet op doorgaan, daar de opsomming dezer zaken en dingskes voor den sulligsten denker al zoo gruwelijk banaal is geworden!) — laat dit alles door de vier magen van uwe geestelijke gesteldheid herkauwen, en ge zult ’t met me eens zijn, dat ’r meer ghetto-om-van-te-rillen, meer parasitair rabijnen-gedaas in deze botte wereld bestaat, dan in het tooneelstuk Ghetto in debat werd gebracht.
Om de balans een weinig te herstellen, „verbeterde” ’k *t jeugdwerk in 1905. ’k Trachtte voor zoover ’t oorspronkelijk stuk ’t toeliet, ’t ghetto-begrip in de christelijke dienstmaagd aan te zetten en van ’n joodsch ghetto tot meer universeele en noodzakelijke ghetto-menschen te geraken.
Gelukt is dit niet. Van ’n ouden makkelijken broek maakt men door ’t inzetten van ’n kruis en ’n achterwerk geen kleedingstuk om, naar alle richtingen heen, in te cancaneeren.
Den zwaar-beschuldigden joden in Ghetto maak ’k m’n excuus, t Is alles lak en alles ghetto, en hoe ouder en bezadigder je wordt, hoe sterker je voelt, dat je in ’n hinkenden tijd niemand in ’t bijzonder z’n horrelvoet moet verwijten.
Hoogachtend Berlijn, October 1910. DE SCHRIJVER.
116