van uit hun gewatteerde kamer en niet in ’t gewoel zelf hebben gevolgd — alleen zij, die naast de werkelijkheid staan, mogen zich wijs maken, dat deze joodsche jongeling uit wormstekig hout is gesneden! Wij weten beter....
in 1905 (Verg. „De nieuwe Tijd”, elfde jaargang, 1906) ben ’k tot omwerking van het eerste tooneel yan het tweede bedrijf en van de tweede helft van het derde bedrijf overgegaan.
„De omwerking geschiedde,” schreef ’k in dat tijdschrift: „omdat in den oorspronkelijken vorm de kern „niet tot rustige bezinking was gekomen. In de nieuwe „editie, gehouden in den stijl van 1898, is gepoogd „hierin te voorzien.”
Het kwam mij namelijk, na het bijwonen eener Ghetio-vzrtooning voor, dat er niet voldoende nadruk op hét feit, dat in deze maatschappij nagenoeg iedere godsdienst de verhouding van armoedig ghetto-gedoe aanneemt, werd gelegd.
Er was, voelde ’k, iets ideologisch-onrechtvaardigs in, de symbolische waarde werd ’r zeker niet door vergroot, als ’k den joden zoo deerlijk hun ghetto-bestaan aanrekende, waar toch overal, naar alle richtingen heen, ’t onkruid der ghetto-godsdienstjes bloeit, tiert en naar historisch-betrekkelijken maatstaf „vooralsnog” bloeien en tieren moet.
Neemt, beminnelijke lezer, ’n Predikbeurtenblad, ’n apostolisch orgaan, ’n klungel van ’t Heilsleger of ’n ander sectarisch „godsdienstig” propaganda-vehikel in uw handen — peinst in ’n moment van opknetterend „vrijdenkerschap” over al de kostelijke kerkgebouwen, die zulke voortreffelijke toevluchtsoor
1
115