Jij wou meevliegen — ben meegevlogen — maar met zooveel modder van god en godsdienst aan je vleugels, dat je terugviel.... We zijn te vroeg op pad gegaan. Waar we vandaag waren neergestreken, zouen we in de dezelfde modder terecht zijn gekomen. Nou — nou — dat moet je begrijpen — ga ’k alleen.
Rose. Alleen ?
Rafaël. Dat heb je zelf gewild....
Rose. O, Moeder Maria----
Rafaël (pijnlijk nasprekend)____ Moeder Maria.....
Moeder Maria.... Zie je — voel je dat we niet bij mekaar passen? Dat jij zoo vast in jóüw ghetto zit, als vader in ’t zijne?
Rose (bedwongen-heftig).... Dus, dus jij wil van me af — jij — j*j» die me je vrouw heette — die, alles — groote God! — alles van me gedaan kreeg. .. (snikkend). O, o — ik die je vertrouwde....
Rafaël. En als we — als we — wat de menschen noemen — getrouwd waren geweest — (glimlachend) .... in mijn of jouw kerk.... als we? Zouen we dan ook niet ’n anderen weg zijn gegaan — allebei — wanneer we mekaar in dat huwelijk zoo heftig, zoo onoverkomelijk hadden afgestooten — als we ’t vandaag, daarstraks deden? Jij heb niet begrepen. Ik niet. Dat is de schuld van ons tweeën
107