Sachel (na een stilte). Nar — nar — groote nar, denk je dat zij je verstaat, dat ik je versta?
Rafaël (mat-glimlachend). Nee. ’t Is waar — jullie verstaan me geen van twee....
Sachel. Is ’r iémand die narrepraat verstaat?
Rafaël. Nee, niemand! — De nar die geen wetsrol op z’n deurpost — geen kruis aan z’n hals noodig heeft, wordt niet verstaan, nog niet verstaan! Wat huil je ? Ben ik ’n traan waard? Jullie hoort bij mekaar, wel bij mekaar!
Sachel. Is dat mijn dank — ónze dank? Da’s me te machtig — bij God te machtig — (dreigend).... Maar me geduld neemt ’n end. Jij geen jodin — ik geen christin! — jij geen wetsrol op je deurpost
— geen gebod — geen eerbied voor je vader — geen geloof in den Eeuwige-onze-God — ik geen zoon — (de hand op de wetsrol leggend) geen zoon
— daar zweer ik bij, omein wie omein! Nou ken je ’t met haar alleen uitvechten — nou heb je de keus — de keus tusschen ’n thuis hier of de wijde wereld (af).
TIENDE TOONEEL.
Rafaël. Rose.
Rose (na een zeer lange stilte van de poort waarheen ze geweken is, terugschuif etend — schuw) Rafaël----
105