Kamertjeszonde

Titel
Kamertjeszonde

Jaar
1898

Druk
1970

Pagina's
392



naamloze dingen. Als ik nu schreien kón, luiduit snikken op die eenzame bank. De bomen rondom kuiven de massale kroppen over het glazerig water, huizen silhouëtteren, gasvlammen broeien beneden de walkant. Dof kijk ik voor me uit. Er gaat een soldaat met een meid. Dichtbij staan ze stil, de buiken tegen elkaar, de monden vastgezogen. Zijn hand licht grijpend tussen haar billen - de buiken dringen op. En schommelend, dronken van verlangen, wandelen ze verder, zwart en stil onder de bomen langs het water, naar het Bosch. Lang zit ik in onzegbare smart, met starende ogen, hoofd dat niet denken wil. Het water heeft lichte zilversidderingen, het groen van het eiland donkert er boven. Dan plotseling zié ik haar weer, zoals zij de rokken in draaiing terugsloeg van heup naar heup - en de roze kantenbroek met de benen erin, en ik kreun woest.

Lieve God, dat die hele bende daar nou zit in de warmte, in de sigarenwalm, in de peststank van burgerlijk plezier, kijkend naar kunstjes, naar een stuk van een vrouwenbroek, naar blote armen en borsten. Die bende! Die snol!... Nee niet schelden. Nou je hier zat, voelde je de dingen langzamerhand anders, zakte de wrevel, de spijtigheid, het lege. Van wat ze gezongen had, wist je niks meer. D’r was alleen nog vaag meelij. Heel vaag. Was het niet stumperig dat ze onderging in dat baantje van fatsoenlijke hoer? Was de hele samenleving geen bourgeois-beul, die kocht, stal of vertrapte? Deden de mensen niet allemaal misselijkheden voor elkaar? Was het niet telkens de honger, de nood, die knechten maakte, hoeren, geprostitueerden ? Was het goed, eerlijk, om nou heen te gaan, haar achter te laten in die modder ? Zou je dan nooit iets doen, iets dat op een daad geleek, iets om een ander mens tot léven te brengen, iets dat een offer vroeg van je egoïsme en gemakzucht? Had je geen mooie ogenblikken bij haar gehad... tóén in het Panopticum... toen ze sprak... en je in vriendelijke, rustige luistering gebogen zat... tóén in De Slok toen je het gevóél van de zee, het duingroen, het helmengerits had... Had ze niet tóén gezegd bij het Sarphatipark:... ‘Soms heb ik een walg van het leven...5 Had ze geen kindertrekken met grote eerlijke'grijsgrauwe ogen... Je wist nou wel dat jij buiten hadr kon... Je wist het zeker... Maar kon zij buiten jóu?... Had ze ooit iemand gekend, die eerlijk was, zónder bedoelingen, een die niet na een paar dagen met voorstellen kwam om te naaien, zoals de baron met zijn oesters en champagne? Wat gaf het of ze dit of dit maatschappelijk baantje had? In zulk een verkankerde maatschappij had geen enkel arbeidend individu schuld, onderging ieder het noodlot der omstandigheden, zij zogoed als ieder ander, was er geen sprake geweest van Vrije wil5 ten goede óf ten kwade. En al stond je mijlen van el-

79

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.