Hij geeft in dit boek een beschrijving van de Amsterdamse eilanden Marken en Uilenburg, het getto, gezien door de ogen van een geëmancipeerde joodse jongeman die gevaren heeft en met walging, droefenis en medelijden constateert, dat zijn familieleden en vrienden, ellendige paupers, verstokt conservatief blijven volharden in geloof en bijgeloof en in trouw aan hun, eveneens joodse, uitbuiters. Diamantstad bevestigt volkomen dr. Meijers uiteenzetting.
Heijermans, sinds 1895 lid van de SDap en hartstochtelijk propagandist voor het socialisme, dacht in klassentegenstellingen, niet in rassentegenstellingen, zijn ‘antisemitisme’ was opstand tegen een klasse, tegen bekrompenheid, geldzucht, huichelarij, en om deze fouten viel hij andere bevolkingsgroepen even hard. In de ‘geld-jood’ veroordeelde hij niet de jood, maar de kapitalist. En nogmaals: zijn realisme spaarde de vuile neuzen van de joden evenmin als de luizen van de christenen. Het is goed om dit te beseffen wanneer men bij de lectuur van Kamertjeszonde telkens verrast wordt door wat nu onvergefelijke smakeloosheden zouden zijn. Behalve in kamertjes, verhuurd door kleinburgerlijke, kwaadaardige, nieuwsgierige en ordinair-fatsoenlijke arme mensen, speelt de roman zich af in cafés. Wie rijk wilde dineren ging naar Kras (Krasnapolsky aan de Warmoesstraat) of naar Van Laar in de Kalverstraat of naar Riche aan het Rokin. Zijn grokje dronk men op het Rembrandtsplein, in de nu verdwenen etablissementen Mast en ‘Die Quelle’ of‘Zur guten Quelle’. Mast stond op de plaats waar tot voor kort Heck’s te vinden was, heette eigenlijk ‘Mille Colonnes’, maar werd in de wandeling genoemd naar de eigenaar die dus Mast heette. Het was een trefpunt van schilders, journalisten en acteurs. De ‘Quelle’ bevond zich aan dezelfde kant van het Rembrandtsplein, naast ‘Het Gouden Hoofd’; het ‘Mosselenhuis’ was eveneens aan die zijde van het Rembrandtsplein gelegen. Niet ver er vandaan, in de Amstelstraat, was ‘De groote Slok’ gevestigd.
Dat onder het burgemeesterschap van mr. S. A. Vening Meinesz, in het begin van de jaren negentig, het de cafés verboden werd om na enen open te blijven, kan men uit het boek begrijpen. Alfred Spier, die pas laat in de nacht naar bed wil, gaat immers daarom met Dirk en Guus verder bitteren op hun kamer.
In de Nes vond men de café-chantants waar de Tachtigers hun vermaak zochten. Eén ervan, ‘De Vic’ (eigenlijk Victoria), wordt in het boek genoemd. In de Warmoesstraat waren, volgens Heijermans, de chanteuses tevens prostituées en daar heeft Georgine dan ook nooit gezongen.
Een gedenkwaardige excursie ondernemen de artistieke nachtbrakers naar ‘zo’n geméne societeit in de Pijp’, in die jaren een nieuwe buurt vol
390