NAWOORD
Kamertjeszonde, waarvan de handeling in maart 1894 eindigt, werd in 1896 geschreven. Heijermans publiceerde in 1897 delen ervan in het door hem opgerichte, geredigeerde en voor een groot deel gevulde tijdschrift Be jonge gids onder de titel Kamertjeszonde. Herinneringen van K. Habbema. In een voetnoot meldde hij: ‘Schrijver van dit werk, in 2 dln, is er niet in geslaagd een uitgever te vinden. Wij zullen fragmenten opnemen.5 In 1898 verscheen het boek dan toch, onder het pseudoniem Koos Habbema, en het had succes. De meeste drukken ervan (in 1933 verscheen de twintigste) werden gepubliceerd onder de echte naam van de auteur, met als ondertitel: Herinneringen van Alfred Spier.
Heijermans liet aan zijn boeken graag verklarende, verdedigende of aanvallende inleidingen voorafgaan, en dit keer verzon hij een briefwisseling, die kennelijk bedoeld was om de critici bij voorbaat de mond te snoeren. Een zekere J.T. schreef op 29 december 1896 aan de heer Koos Habbema, dat hij met verwondering en gedeeltelijke verbazing nota had genomen van diens verzoek om Kamertjeszonde bij het Hollands publiek in te leiden. Hij vond het boek schaamteloos, onzedelijk, slecht, verderfelijk, als artistieke arbeid waardeloos, langdradig, vervelend, en gaf de auteur de raad om aangename schetsen te schrijven ‘tot lering onzer doch teren, die onze vróuwen kunnen lezen5.
Op 9 januari 1897 antwoordde Koos Habbema, dat nooit iets ‘gemeen5 kan zijn dat volkomen waar beschreven wordt en dat er een groot verschil was tussen Ohnet, Daudet, Zola en hem, omdat dezen ‘spreken met zekere geheimzinnigheid over een verrichting, die niets geheimzinnigs behoorde te hebben, daar de coïtus nóch onschoon, nóch gemeen, nóch <onterend> is. Het gezond naar bed gaan van twee gezonde mensen, die van elkander houden, is een eenvoudige natuurvreugde, die de bour-geoisbeschaving met een kleverig privaatdoek omhangt. Daarom zijn de sexuele flikjes en geslachtspasteitjes welke genoemde auteurs en hun scholieren een geilgraag publiek voorzetten, kernrot en typisch als produkt der klasse, te wier gerieve zij geschreven werden en waaruit zij voortkwamen.5
Het was Koos Habbema die dit schreef. In maart 1903 begeleidde Herm. Heijermans Jr. (sinds 1898 getrouwd) de vijfde druk met een voorwoord waarin gesproken wordt over cdit zéér onvolkomen boek, dat de fouten en kwaliteiten van jongelingsonstuimigheid bezit- mede de sporen van een vermoeiend driejarig journalistiek scholierschap5. Hij zette uiteen dat de lotgevallen van Alfred Spier en Georgine Casper voor een bij-
385