kelner kwam naar beneden, inspecteerde ons, zag dat we géén bagage hadden, vroeg of we getróuwd waren. Ik zei néé. En er waren géén kamers. We gingen naar Suisse. Er waren geen kamers. We gingen naar Polen. Er waren géén kamers. Wij hadden geen bagage. Wij waren niet getrouwd. Oberkelners zijn wél zo edel achtbaar als de president van een Rechtbank.
Toen nam ik, om niet langer bekeken te worden door kelners en portiers, een kamer in een rendez-vous.
De juffrouw bracht fris water.
De juffrouw bracht schone handdoeken.
De juffrouw vroeg of het voor een uurtje was of voor de hele nacht.
Ik zei voor de héle nacht.
En betaalde vijf gulden.
Zij sloot de deur.
Ik deed de knip erop.
En huiverig in de kille kamer kleedden wij ons uit, kropen bij elkander, zoenden elkaar goeienacht, woelden onrustig tot de morgen door de neergelaten gordijnen grauwde, de morgen die eerbaar Amsterdam kwam wakker maken.
Vroeg stond ik op, sterk door m’n werkende zenuwen, keek door een gordijnkier naar buiten. Fletse, vale wolken druilden langs roodvuile daken. Een zwarte schoorsteen stompte vlakbij, naast een dakgoot. Het was een uitzicht op goorbruine, verweerde stadsmuren, beslagen, schimmelend cement, verslijkte stofbulten. Van de straat was niets te zien. Schuinsover een zolderraam met grijze tulen gordijntjes.
Een goeie afgelegen buurt voor een rendez-vous, voor een naaikrot in dienst der bourgeoisie, een huis zonder buren.
Op het ledikant ging ik zitten, keek haar aan, zo ze daar lag, wit vermoeid, wekte haar. Zij sloeg de armen om mij heen, zoende me, zoende me. Ik zoende haar. De eerste reine kussen in dit bordeel. Uit het bed, uit de kamerhoeken, uit de meubels sloeg de stank van een zedeloze, rottende bourgeoisie op.
Wij kleedden ons aan.
Wij gingen naar beneden.
De dienstmeid maakte de deur open.
Wij stonden op straat.
Een arbeider, met een kalkbak op zijn schouder, zag ons uit het rendez-vous komen, spuwde zijn tabakskwijl tot dicht bij mijn voeten.
Het was nog héél vroeg.
Samen gingen wij zoeken naar niéuwe kamers.
379