‘Ja, ja, Ka. Niet zo dikkels vrage.’
Pien. Pien. Pien. Pien. Pien Pien. Pien. Zeven uur. Achter elk slaagje een snorrend gebrom.
‘Ze zijn over d’r tijd,5 zei Leentje Plas, zenuwachtig, ongeduldig ‘God, ik vréét me op.5
Maar op hetzelfde ogenblik kraakte wielengeratel op de hoek van de straat, zachter hobbelend, verstervend voor de deur. Er sloeg een portier dicht. De bel ging over, als een klacht door het stille huis.
Georgine schokte wakker, stond star-van-kijken op, zoende Ka op de oogjes, op het mondje, nog eens, nog eens - toen nóg eens, haar opnemend van de grond, haar klampend tegen het lichaam - zónder huilen. ‘Dag mamma... Ik zal wat voor u meebrenge... Dag ome.5 En terwijl Georgine zich bukte over Toos, gaf ik Ka een énkele zoen, zag haar niet door de hete natheid der ogen... toen Toos... toen Toos. Georgine was in de voorkamer, zocht daar suf. Ik trok de deur achter me dicht. We waren alleen in de donkere voorkamer, waar het haardvuur laaiingen gaf op het plafond. In het huis gingen deuren open, werden ramen opengeschoven, kraakte de trap onder het geloop van de vrouwen. ‘Worde ze... worde ze...’ Verder bracht zij het niet. Uitgillend haar smart, uitkrijsend het ingehouden verdriet, jammerend als een vrouw in weeën, rukte zij aan de knop van de deur die gesloten was.
‘Me kinderé!... Me kinderé!5
Woest, de tafel opzij duwend vloog zij naar het raam, trok met één ruk van drift het gordijn op. Het rijtuig, glad-glimmend-vierkant, reed weg. Er stond een agent naast een heer met een paraplu. Anders niet. Het gordijn barstte neer, neerflappend van de rol en met een snijdende angstkreet, rauw-gillend, rende zij naar de deur, met de vuisten en het hoofd bebonzend het hout, hees-krijsend gillend: ‘Me kin-de-re!... Me kin-de-re!... O God me kindertjes!5 Ik greep haar in mijn armen, sleurde haar weg van de deur, waartegen zij het arme, krankzinnige hoofd beukte, zoende, suste haar, maar ze z£g me niet, worstelde om los te komen, jammerend, rauw gillend, het hoofd in smartkramp achterover, tot ze verstijfde en in mijn armen wegzakte naar de grond, waar ze bewusteloos bleef liggen, dicht bij de vlammende haard die haar dode gelaat belichtte.
Volgende dag was zij dof-rustig, kwam er een deurwaarder met een papier, dat ik las - omdat zij het niet wou:
extract der minuten, berustende ter griffie der Arrondissements Rechtbank te Amsterdam.
372