Ik: ‘Dus in wat de wet huwelijk noemt mag een man stom, idioot, ziek, verslaafd aan drank, onanist, ruw zijn, mogen man en vrouw elkaar bedriegen als ze het maar handig doen, wordt van liefde niet gesproken? Ook niet van vrije wil ?5
De advocaat: ‘De wet bemoeit zich alleen met maatschappelijke verhoudingen, met de rechtstoestand, met...5 Ik: ‘En over de kinderen heeft de vrouw niets te zeggen ?5 De advocaat: ‘Als de man onwelwillend is, néé.5
Ik: ‘Dus het matriarchaat is gereduceerd tot speen, tot de luren, tot het bdren...5
De advocaat (wij s): ‘Precies.5
Ik: ‘Dan hebben bastaards een moeder, stadhuiskinderen een vader. Kijk, al mogen bastaards dan niet in de vergadering des Eeuwigen komen tot in het tiende geslacht5 - dan zijn zij en hun moeders te benijden - vindt u niet, waarde heer?5
De advocaat: ‘Weer héél spitsvondig. Maar houdt ü zich nu aan mijn advies, om tenminste een kansje te hebben in deze verloren zaak.5 Ik: ‘Gek!... Gek! (opstaand en de stoel verzettend gelijk een niais doet)... Ik dacht wat af te weten van het huwelijk.5 De advocaat: ‘Nee u weet er hoegenaamd niets van.5 Ik: ‘Dat zie ik.5
De advocaat: ‘U had er niet het flauwste begrip van. Is u nu wat wijzer geworden, waarde heer?5 Ik: ‘Ja, ik ben wijzer geworden.5
Aldus was het gesprek met de correcte, welwillende advocaat. Onderweg, met mezelf pratend, ré-dé-né-rénd, besloot ik ‘alles5 te doen voor Kaatje, voor Toosje. Het leek mij een wreed, gruwelijk doen in een man om baldadig kinderen aan een moeder te ontnemen.
i
Even aanwippen bij Doedelaar om met Georgine te overleggen. Maar hóé ? Wat zou ze zeggen. Zou ze er niet wanhopig onder zijn ? En maakte ze zich niet véél te vroeg ongerust? Zat die man nog niet rustig en wel in Amerika? Vlug liep ik het gangetje door, de winkel voorbij. De glazen voordeur was wéér op slot. Nog eens klopte ik en nóg eens. Er werd niet opengedaan. Frits, de barbiersjongen, deed de winkeldeur open, keek me bete aan.
‘Zoek u de juffrouw, meneer?5 ‘Is de juffrouw uitgegaan ?5 ‘Een dik uur geleje.5
338