zeven dagen en nachten. Schrikkelijk, hè!... En 5t hielp nog niet! Maar toen kwam er een grote kikker en die riep kwék-kwék-kwék en toen viele de nagels af. Ze ware zo dik als bome en zo hard als steen. - Enne toen zei de koningin tegen de arreme mense: die magge jullie nou hebbe om er soep van te koke en toen ware ze allemaal blij en zon ge tot diep in de nacht: <Wég met die sosiale, leve Willemni>... Enne toen... Enne toen... Enne toen...’
Ze was ingeslapen. Roerloos bleef ik in de alkoof, bij het rustige ademhalen van mijn vrouw, bij het drukke, droge hijgen van mijn kind.
Op de dag van de crisis was er véél aanloop. Karel kwam sigaren brengen en Dirk, die ik in weken niet gezien had, bleef een kwartier bedremmeld praten. Hij vertelde van de begrafenis van Stientje. Meijer was in een koets voor het sterfhuis gekomen, was beneden gebleven. Duif, die zich ‘geneerde5 om in koffiehuizen te komen, dronk thuis brandewijntjes met suiker en - oranjebitter. Ik vroeg hem niet hóé hij zich met Guus verzoend had. Hij sprak er niet over. De oude geslotenheid was over hem, het plomp sterk-lijvige. Maar ik vóélde zijn verdriet en zijn zorgen. 5s Middags een gróte verrassing. Er was een heer voor Georgine. In de gang hoorde ik haar opgewonden-blij:
‘Wat doet me dat een pleizier!... Wat zal Ka blij zijn!... Hè, wat vin ik dat aardig van je!5
Ze kwam binnen met een knap jongmens, die op haar leek. Zijn gezicht was gladgeschoren-blozend, zijn neus mopachtig.
‘Alf Alf!... Kom es uit de alkoof... Da5s me broer Jan - meneer Spier.5 ‘Dag meneer.5 ‘Bonjour meneer.5
‘Mooie broer ben jij om zo wéinig an te komme!... Hebbe jullie me brief gekrege?5
‘Gistere... toen zei ik: ik ga es naar Ka kijke. - We ware ongerust. - Ik heb net een goed uur voor me. - Vanavond spele we Samson et Délila... En waar is Ka.5
Het was een raar-stijve ontmoeting, een kennismaking als op straat met een vreemde aan wie je zo eventjes wordt voorgesteld. Hij was dikver-legen met z5n houding - ik kalm-gereserveerd. Alles wat ik van hem gehoord had, maakte dit muzikantje, dat als maintenerend bourgeios leefde, niet bijzonder sympathiek.
‘Dag Kaatje... Hoe maak je het meid?... Kijk ik es voor je meegebracht hebbe?5
317