in de voorkamer... Hè, dat maakt dadelijk een ander mens van je,* fluisterde ze. - Haar ogen stonden groter, strakker. Haar handen beefden in lichte ontroering. - cIs dat wel góéd...’ - ‘Goed. Goed!... Wat kan mij dat schelen! Da’s mijn sigaretje.’ - ‘Hoe laat is het?’ - ‘Zeven minuten.5 - ‘Zeven en een half.5 - ‘Dan kunnen we net an het dessert zijn. Co, bel jij eens.5 - De meiden ruimden af, zetten dessertbordjes op tafel. Vla, gebak werden rondgediend en vader schonk zelf de glazen nog eens in. Het gesprek vlotte niet meer. Buiten klonken flauwe schoten en een enkele stoomboot op de rivier begon te toeteren. In de oude doezelstemming, duwend de zilveren lepel in de stijfdrillende vla, dacht ik hoe het wezen zou in die andere hel-lichte kamer ophetTarwenakker,of Georgine ook zó zitten zou voor een witte tafel met zilverglimmers, of ze aan me dicht, aan me dicht. Was het wonder niet gróót - als er een gevoelstroming ging - hoog door grijze luchten - van het ene leven tot het ander? - en wfé waren er nog meer verspreid in verlichte kamers, die mij interesseerden? - Die én die én die... Scherp waar zou die zijn?... Waarom was ik maar niet met Georgine én Scherp én Kaatje samen? Waren dat niet dé levens die me het naast stonden, was ik deze burgerlijk-weelderige kamer niet vér ontgroeid? Zat ik er niet als een vreemde, een belangstellend-vreemde, als Busse, Henriëtte ?... Het dééd me niks - dat lekker eten - het deed me niks dat ‘gezellig5 samenzijn - zo huiselijk - zo feestelijk - in de familiekring. - Toch waren het wel goeie mensen... had moeder iets on-verklaarbaar-aantrekkelijks - was vader de ouwe, de ouwe - maar wat werden de zusters vréémd en de indere familie... Als je bericht kreeg dat-ze dóód waren - zou het je wat doen ? - zou het je wat dóén ? Het was geméén aan zo iets te denken hier bij de dessertborden, de gevulde glazen. Hoe kwam je op de idee? - Was het niet stuitend van cynisme? - Als Jeannette dood ging of Tilly, of Coba. - Got, wat gékke gedachte... Ze waren niet dood... Als ze dood waren was het tijd genoeg om te zien of het je wat dééd... De levendige Co... Hé-jassus, hoe kwim je op de beroerde gedachte... Nou ja, maar als... maar ils... Nou dan zou het je wél spijten... je zou zeggen: het was toch wel een góéd kind... ja, het was toch wel een goed kind... en ze had tóén nog zo netjes gedékt... en dat kalfsvlees aan repies. - ‘Bonjour Filip!5 juichlachte Jeannette, die Busse iets aangegeven had. - ‘Heeft ie het nóu al verloren ?5 vroeg Henriëtte. - ‘Ik ben er inge-lope,5 lachte Busse, ‘éérlijk ingelope...5 - ‘Wat heb je hem angereikt, Jeannette?5 - ‘De amandele!5 - ‘De amandele? O wat een ezel!5 - ‘Ik heb es een filepien gedaan, met...5 begon tante. - ‘Stil,5 zei vader. Er was plots ernst! - ‘Sust dan!5 - ‘Sust!5 - In de donkerte, buiten, bromden zwevende klokkeslaagjes. - ‘De kapelklok slaat.5 - ‘Hoera! Leve het nieuwejaar!5...
274