van dit en van dat, dat ik al zo lang geleden gezien had. En ik werkte weer verder, zonder onaangename ópdringing van vreemde kamerzaken - geheel-evenwichtig, geheel in de overal éven wijde, overal éven brede cirkel van bewegingloze, zwevende dingen. Ik kan het niet anders uitdrukken. Er zijn voelingen die niet te beschrijven zijn. Ik weet bijvoorbeeld evenmin wat het is - als Georgine me kust, de lippen elkaar luchtig raken, dat ik heftig en scherp, in momenten van heel licht-denken, de visie heb van iets - jaren, jaren, jaren geleden, iets onnozels uit kindertijd... Het zitten op een trap, het kijken naar een kever... het staan op een stoel, het aangekleed worden voor de bewaarschool met een stijfselharde smul... of een plek kleigrond met mannen aan het heien, toen we nog woonden in het kleine huis bij het water...
Om twee uur - vróég voor mijn doen - gingen we naar bed, zachtjes pratend voor het kind in de andere kamer. We lagen te fluisteren in de gezellige zwartte der alkoof. Vanuit het bed konden we de maan zien schijnen op het kleine balkon. Ja, het was hier een geschikte woning - morgen zou ik een kruier sturen met een kleiner werktafeltje en een staande lamp, ook wat meer kleren en een boekenhanger met studieboeken zou óók geriefelijk zijn. Karel hoorden we thuiskomen en eerst tegen vieren gingen we slapen, zij veilig aangehurkt tegen mijn schouder. Ik bleef dommelen, onlekker liggend in een deuk van het bed. Wat ik deed om eruit te komen, het hielp niet en dan tóch de vreemdigheid van het huis, de nachtgeluiden waaraan ik nog niet gewend was... een licht kraken, het piepen van een scharnier... het woelen van Karel in zijn bed achter het houten beschot... en vóór alles de weelderigheid van het eigen thuis. De warmte van Mol, die gerust te maffen lag op mijn ingeslapen prikkelig-tintelende arm... Zou ik hem wegtrekken of niet?... Nee, niet wegtrekken: ze ligt zo gezellig... Maar dan lomer het gevoel in de arm en een koud snijden in de vingers... Zachtjes haar wegduwen... Zo... en nou een koel plekje op het kussen en tot honderd tellen... Maar dan kwam in gedachten het werk van de avond en die éne zin - lag ik onrustig te tobben of het beeld wel zuiver gevoeld was, of er geen hardere beelden voor toorn waren... en dof van hoofd probeerde ik een krachtiger, niet-retorisch te vinden. Het ging niet. Wel schokte het getob me op tot klare lichtrode wakkerheid, tot gejaagde onrust, knorde Georgine in d’r slaap: ‘Wat woel je toch, Ka... Leg toch stil.5 Dan was ik een tijdje rustig, deed de ogen open, keek door de witte tulle naar het balkonnetje, tot de oogleden knipten en een dompe sluier over me kwam, die plots knapte, als een mes dat in tweeën breekt, driftig als een ruit die in stilte aan scherven
199