Kamertjeszonde

Titel
Kamertjeszonde

Jaar
1898

Druk
1970

Pagina's
392



m’n haat boven, vloekte ik hem, vloekte ik hem als de pest van me leven. Een avond liep ik de kerk in - gek hé ? - hoe kwam ik er toe ? - probeerde te bidden, te bidden. Een avond dronk ik zoveel cognac dat ik twee dagen lang ziek was. D’r was niks meer in me leven. Niks. Thuis kon ik niet blij-ve; die kerel lag meestal te slape. Als ik hem bij me voelde wer ik koud. O wat een straf waren die dagen, die dagen, die donkere avonde. Wat zijn de avonde donker, hé, as je verdriet heb en wat dure die nachte!... Vin je niet ? Vin je niet ? Soms lag ik ure te snikke, heel-zachies, dat me man het niet zou hore... Dan bad ik God... Ik weet zelf niet wat... ik bad maar raak om an iets anders te denke dan an die vuile komediant... En as ik zijn naam las in de krante, dat ie wat moois gespeeld had, dan had ik het wel van de dake kenne schreeuwe: die man is een vuilik, een schooier, jullie motte zijn naam niet in de krante zette! - Gek, hé? - Ja, zo doe je. Dat ik toen niet dood gegaan ben verwondert me nog... O lieve, lieve Alf bedrieg me niet, bedrieg me niet, bedrieg me niet... Denk es an dat ik zo alléén op de wereld ben, dat de wereld zo leeg is als je van niemand houdt ?5 cIk zal je nóóit bedriegen, kind, nooit,5 zei ik na een kleine stilte. ‘En toen?... En verder?5 ‘Wat verder?5 ‘Van anderen.5

‘Van anderen... moetje alles, alles wete?5

‘Alles... Je moet nu niks overslaan, al je herinneringen zeggen alsof ik een heel goede vriend, je beste vriend ben... hoor je kindje?5 ‘Toen... toen - ik zal éérlijk alles zegge... toen kreeg ik kennis an een zoon van een bankier - die jongen was dol met me - maar d5r heeft nooit wat tussen ons bestaan - als ik je dat zeg is dat zo - die jongen was gek op me, zond me de prachtigste cadeaus en Isaac wist ervan. Dat vond ie heel goed. Soms kwam er een bankie van twee honderd gulden as ik geklaagd had dat ik het zo arm had en dan most je Isaac es lief zien, dat vond ie allemaal best en in bed liet ie me gelukkig met rust. Daar had ik hem wel voor kunne zoene. Die kennis van me was een nette jonge. Voor z5n vader most ie naar het zuien van Frankrijk omdat ie zo teringachtig was en bloed opgaf. Toen die wegging zei die: dag Georgientje. Mag ik je een zoen geve ? Die heb ik hem natuurlijk niet geweigerd. Het was een lelijke jongen, zo bleek, zo mager. Nog ééns heeft ie me geschreve dattie niks vooruitging en toen heb ik verder niks meer van hem gehoord. - Die ar-reme stakker. - Toen heb ik drie weke geleefd met een officier van de marine... Daar herinner ik me zo goed als niks van... Het was geloof ik wel een gezellige vent... maar altijd metz5n vrindean het klesse over dienst en over het ministerie en over de schepe... nee hoor... Drie weke was ik

163

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.