Juffrouw Bok brengt de thee, dezelfde koppen van de vorige keer, twee
witte, een gebloemde. Met een behagelijke uitstroming van vriendelijke
lachjes en grote belangstelling voor elkaar, praten de vrouwen.
cWel juffrouw, wat sie u d’r veel beter uit.’
cJa vin u niet ?5
cMot u man weer optreje ?5
cZe geve van avond Lohengrien in Arnhem. Ja die koriste hebben weinig rust. Rippetere en optreje, anders niks. - En dat voor zo’n geld!... Daar bè-je nou arties voor.5
cNou hij het tenminste geregeld werk... Maar mijn man... Nou Carré weg is, is het scharrele... Ja, het is suur, het is wel suur...5 cJa, seg u dat wel.5
‘Een arties kan zich z5n hele leven doodsappele voor andere... Amsterdam is niks meer tegenwoordig... Al het geld kwam van de diamante... Ja-ja... Ja-ja.5
‘Nou maar het sal wel es beter worre.5 cDat segge se al so lang.5 ‘Je mot je hoofd nooit late hange.5 ‘Nee dat doe ik ook niet.5
‘Het sal wel beter worre. Ik zeg maar als het niet slechter worren kan,
wordt het licht beter, niewaar ?5
‘Nou, dat sal ik niet tegenspreke. Da5s wel waar.5
Langzaam de handen afdrogend aan het schort, gaat Juffrouw Bok weer
weg, kipperend met het hoofd, en met de ingevreten lach op het grut-
jesgezicht.
‘Je mot zo5n boel niet loslate,5 zegt vader.
‘Seg ik nou wat ? Mag ik vanavond weer niks segge ?5 snauwt moeder.
‘Wat het dat wijf d5r mee nodig of ik werk heb of niet... Daar maakt ze
maar napraat van.5
‘Nog een flessie bier, vader?5
‘Nee dankje. Liever een konjakkie.5
Ik presenteer papa Casper een sigaar en het gesprek wordt - wat je noemt - algemeen. Mama kijkt me met minder wantrouwige oogjes aan, laat wat los van haar zorg over zoon Jan, die tegenwoordig zo5n rare scharrelaar is. De man met de hoge puntboorden, de mooie das en het gladgestreken haar op de schoorsteen glimlacht gelukkig-tevreden.
‘Nou mot je wete Georgine wat ons vannacht overkomme is. - Watte Arie ? - As ik het je vertel, sal je lache.5
‘Je moeder het weer iets biezonders uitgehaald... Zo5n ouwetje en nog altijd jaloers!5
150