‘Wat doe je al niet als de jonge meiden van rechts naar links dweilen.5 ‘Dat lieg je!’
‘Wat lieg ik ?5
‘Ik dweil niet van links naar rechts.5 ‘Heb ik jouw naam genoemd, Ophelia?5 ‘Krijg voor mijn part...5
Haar vriendelijke verwensing hoorde ik niet. Scherp sloeg de huisdeur dicht, kwam de keuken binnen met een hoop pakjes. Ik was net klaar. Trees zat voor het tuinraam, bleekjes, spijtig. Haar frisse bloemenhoedje had ze nog op het hoofd. Ze was wel mooi met haar grote, zwarte ogen en het bleek, effen-belijnd gezicht, al was het wat ouwelijk voor achttien. ‘Goeiemorgen, lieve Trees.5 ‘Verrek maar!5
‘Hebben jullie nou al ruzie,5 vroeg Scherp, lachend.
‘Groter pestkop mot er nog geboren worden! Die heeft al die tijd niks anders gedaan dan hatelijkheden zeggen.5
‘Nou - ik vraag je om vergiffenis, lieve, lieve Trees. Is dat een goeie manier om op het toneel te knielen ?5
‘Tóch ben je een pestkop! Ik heb je nog nooit dardig gezien.5 ‘Laat Scherp het dan maar es afzoenen.5 ‘Zo familiaar zijn we niet met elkaar.5 ‘O.5
Ik hielp dekken, ging zelf op de pof - Scherp kenden ze niet zo in de buurteen fles bessenwijn van veertig cent halen en na tien minuten zaten we koffie te drinken. Middenin werden we gestoord door een pakketje dat gebracht werd. Die goeie moeder van Scherp! Ze zond hem een lief, zacht briefje vól spelfouten, een lapje van vijfentwintig pop, drie paar sokken, een hemd, een doosje tandpoeder, een flanel, een tandenborstel, een tricot, zes zakdoeken, een kosjere - of ik dat goed schrijf weet ik niet - worst en een stuk ‘eigen5 gebakken boterkoek. De knecht was er driemaal mee geweest, werd nooit opengedaan. En dan eindigde het briefje met een echte moedertjeszin ‘...dat je nou maar weer gau vrede sluit en volgende Sjabbes weer thuis moge zijn is de wens van - je moeder5.
Trees was eerst stilletjes, klaarde op na een paar glazen ‘wijn5. Ze vond de kamers heerlijk, het jongeluileven dol. Wat klonk haar lach vrolijk, kinderlijk door de kamer, toen ik op mijn knieën lag om de vloer te vegen. Zij waste kopjes, bakjes, glazen. Ik droogde met het kapotte hemd. Toen bleven we babbelen. Zij op de klassieke sofa, ik in de luierstoel. En Scherp las een gedicht voor, een zonderling vers, een lelijk vers, mooi door de bedoeling, ook wel mooi door het vuur waarmee hij het zei.
126