’n jodenstreek? 71
Kerkhof ligt als een verschrompeld stuk land, als een afgebeuld uithoekje, snakkend naar water. De zoete, laffe, misselijke stank, die op een zomerdag over een doodenakker dampt, hangt als een half-opgeslurpte mist over de graven, de reuk van een mesthoop. Warm is het, schrikkelijk warm. Blauwe vliegen, brommend, met groote, dik-doorvoede lichamen, dwarrelen spichtig-gonzend van de eene plek naar de andere. Een vlinder fladdert, huppelend schietend en vallend, zoekend een bloempje ergens bij een graf. Steil staan de bestofte, witgekalkte zerken op ’t land, rechtop als ze pas geplaatst; schuin, uitgezakt, verbrokkeld, als de doode goed dood, vergeten, verteerd. Schaduwtjes vallen in egale figuurtjes wat langer of wat dikker op ’t gras, alle naar éen kant. In de sloot, tusschen drabbig, vuil groen, dik gekorst kroos, kwaakt een kikker, met schreeuwtjes, die rochelend wegsterven. Alles gloeit op ’t kerkhof als een bakkersoven. De grond brandt