uniformjas, belikte ’t potloodstompje en schreef zorgvuldig: Dit is die Knoebel. Toen schelde-die an de schooldeur. Bovenmeester liet ’m binnen.
‘Meester,’ zei de veldwachter: ‘Van Schie wil verbaal van dat geschrijf van die knoebel en dat u 5m strakkies in bijzijn van Gijsie en de barbier voor knoebel het gescholde...’ Nou had-ie ’r de bovenmeester stévig tussen. Had-ie laatst van de burgemeester geen schrobbering gekregen; omdat de meester geklaagd had over de lantaarn voor de school die om negen uur geen olie meer had?
‘Zo, heb ik Van Schie voor knoebel gescholden?’ zei de bovenmeester: ‘zeg jij dan wat knoebel is?’
‘Dat heb ik niet te zeggen, meester,’ beet de veldwachter van zich af: ‘dat mot ü as meester weten. As u iemand voor knoebel scheldt, dan wil knoebel knoebel zeggen, en dat mot dan maar uitgemaakt worden. D’r staat op ’t ke-zijn: dit is die knoebel en u het gezeid: goeie morgen knoebel! Als u niet had willen schelden, had u goeie morgen Van Schie gezeid en niét goeie morgen, knoebel!...’
‘Dan maak je maar verbaal op!’ snauwde de bovenmeester, ‘5k heb nou geen tijd meer - de school gaat beginnen...’
De hele dag liet Van Schie op z’n kozijn. Dit is die knoebel staan. Als bewijs. Van de verf was ’t 5t minste. Die was niet zo erg beschadigd.
Dat liet zich bijstrijken. Maar voor knoebel uitgemaakt te worden, als je je eigen fatsoenlijk hield en niemand anstoot gaf, dat vertikte die. Daar zou-die tegen vechten al ging ’t nóg zo hoog.
Om vier uur zat-ie achter ’t horretje te loeren of de bende aan de overkant ’m wéér wat zou lappen. Om kwart óver vier werd-ie ongerust. De school ging niet uit. Om half vijf bleef ’t nog stil. Om kwart voor vijf nóg. In ’t straatje begon geloop van moeders die angstig werden, van zussies die door moeders werden uitgezonden om is te kijken.
Eerst om óver vijf ging de school uit. Meester had ze tot
191