- de wafelbakkers — de waarzegster — de schiettent ^ laat niks van die dingen fleuren opnieuw, tenzij je volwassen van lichaam en hoofd blieft typisch en leuk en komisch te noemen, wat ’n ander honds-miserabel vindt. Als 5n axioma zou je kunnen stellen, dat er nooit iets typisch is aan zwervers, zwoegers, vervallenen, kermisgasten en dergelijken. Maar de meest slappe werklijkheid schijnt daaglijks lachschuddebuikend het tegenovergestelde te betogen, daar, om ’n eenvoudig voorbeeld te nemen, schilders, schrijvers, beeldhouwers bij voorkeur armoe en gebrek als geliefkoosde typische gevallen besmuilen. Waar zou 5n schilder z’n modellen vinden - u weet alweer wel: die lekkere, smerige, baardige, vervallen, doorzakte modellen — als Ellende ’t werk staakte, niet langer typen produceerde?
Acht uur 5s avonds was er gróte voorstelling, na de matinee. De muzikanten, vier safraangele, verslapte blaas-doe-dels, af gedankte duitse militairen met gele snorren en nieuwe uniformpetten, bliezen op d’r koperinstrumenten. De kleine trom sloeg de slangenmens, ’n verlepte stakker, die niet alles meer kon, stijf was geworden, te stijf voor de grotere caféconcerts. Later, in de tent, zag ’k hem werken, ’t óp-pe lichaam wringen. De benen gingen nog wel over de nek heen, de armen deeën ’t óók nog, maar de rug boog niet meer lenig, verdraaide ’t om dat te verrichten wat tegenwoordig je weinigst-geblaseerd publiek van een slangemens te vergen heeft. Die man, die ouwe met z’n straffe gelaatsrimpels, ’t mager bottenlichaam verwarmd in ’n geel demietje, waaronder de tricot-benen typisch spichtten, sloeg de kleine trom. De grote, de trom met ’t gapend bekken, werd door ’n bleke jongen kerel bebeukt
- geen clown maar ’n ridder. Ja, op ’t gevaar af sentimenteel te worden - (waar molmt, fidele lezer, de schutting die üw sentement van ’t mijne scheidt?) - moet ik 5n ogenblik ’r op los kouten. Staand in de mensenmenigte,
171