207
moet, twee vreemde kinderen sjatjenen*), daar, Mozes, Godsgezant, werd nóóit een echt gesloten. Als Olga nimmer liefgehad, heeft nimmer zij een echt gebroken. Als Olga is een hoer, is dat de straf dan van het zóoveelste geslacht, werd
haar d’hysterie in het bloed gegeven ?..... Gij
zult niet echtbreken, neen, Mozes, maar mocht een man zijn dochter dan verkoopen ?
Ik zal niet stelen, neen Maar voerde God
d’Hebreeen niet in ’t land van melk en honig, in ’t land van Kenaaniet, van Hitiet, Emoriet, van ’Hiviet en Jébusiet?. ... Heeft God het aardrijk niet aan óns gegeven, zooals gij zegt? En als de ouders, die ik eeren moet, mij als een dienstknecht hadden doen geboren, zou ik dan niet begeerend mogen kijken naar ’t huis mijns naasten? Wie gaf mijn naaste huis en os en ezel, terwijl ik dienstknecht ben?.... Tóch sprak God, Mozes, van het aardrijk, „dat de Eeuwige, uw God, U geeft”.... Wie is die „U” ? Is dat alleen mijn naaste, die een huis en os en ezel heeft? Maar wie heeft uitgemaakt, dat dat hem toebehoort, zooals geschreven staat?
O Mozes, jammerlijke waanzin woelt in mijn
*) Koppelen.