203
heeft de Eeuwige den Sabbathdag gezegend en denzelven heilig verklaard.”
— Ik kan niet heiligen, O Mozes, een dag, dien God gebóden!.. ,. Ik word gelukkig kalm .... Eéns heb ik koorts gehad. Ik kreeg om ’t uur een lepel vocht, als dranke ter genezing. Maar moet een dag ter eere van God’s eeuwigheid, dezelfde steeds der zeven dagen zijn? De tempel van mijn groot Geloof is een subtiele tabernakel, waarin ik zing, wanneer het mij gegeven. Soms ben ik zinnenmensch en zeer verdorven. Soms haat ik alles, oorzaak en bestaan. Soms vloek ik God en menschen. Soms ben ik zeer beminlijk. Berusting is een dom gewauwel, een verstomping van het denken. Ik rust op vreemden tijd en spreek dan plechtig met mijn God, die mij een Vriend, en glimlacht om mijn men-schelijke zonden. Want Hij is Eeuwig en ik klein-menschelijk! De dag, die alle schepslen kneedt, tot een gedweëe bent van buigers naar het Oosten, is mij een dag van weerzin' én van werken. Want regelmaat in hoog-pieuse dingen is een ontheiliging. Ik weet ook niet, mijn goede Mozes, waarom ik heilagen zou den Sabbathdag. Wél heeft de Eeuwge na het scheppen