199
jongen, ook bidden als ik bidden wil, in iedre kerk ....
Gij zult U niet voor afgodsbeelden neder-buigen, want ik de Eeuwige Uw God, ben ijverzuchtig God ..... Dat lijkt me droevig-vreemd, O Mozes! ....Als God nu eéuwig is, complex van al het groote, de ziener in ?t Heelal, de Weter van het ongekend bewegen, hoe kan dan Mozes, onze God op kleine góden — die géén god — verbolgen-y^r^^/z^* zijn? Hebt ge wel goed verstaan, O Mozes? Want d’Eeuw’ge God, die ijverzuchtig is, heeft van zichzelf een afgodsbeeld
gemaakt! Dat vind ik zeer wanhopig, Mozes!
Mijn hoog begrip, mijn weenende intuitie van Eeuwig wezen wordt wreed bezoedeld door d’idee van ijverzuchtigheid! ....
De eeuw’ge, ijverzuchtge God verhaalt der oudren misdaad op hun kinderen tot in het zóo-veelste geslacht, dergenen die Mij haten.... Neen, neen, O Mozes! Dat heeft Hij niet gezegd! Is God der joden dan geen God der Liefde? Is God der joden dan een passiën-mensch met wraak-en ijverzuchtigheid? Waarom zijn al Egypte*s eerstgeboornen door God gedood om Pharo’s tegenstand? Waarom moet kind, dat geen geboorte vroeg, der oudren misdaad boeten? Neen,