winkels. Niet weten, dat ik heb gezeten, het hoofd in de handen, dat moeder is gestorven,, dat ik niet heb kunnen huilen. Want mijn vergane schedel zal niet spreken en Smart laat geen sporen” ....
Senimie keek met glazige oogen in het licht van de lamp. Zijn slapen bonsden. Toen wou in stilte van nacht hij denken aan dingen, waarom hij vroeger had gehuild. Misschien zou zijn vermoeide ziel dan medelijden met zijn tranen hebben,
. .. „Eens ben ik in een boom geklommen. O mijn vuile handen, mijn geschaafde knieën! . . . . De groote lijster vloog schreeuwend weg. Ik nam het nestje mee onder mijn buis. Toen de jongen piepten was ik angstig. Ik heb ze in het nest op mijn kamer gebracht. Daar op het kozijn heeft het gestaan. Vier gele kopjes keken over den rand en sparden de bekken met jammerlijk roepen. Het brood uit mijn mond heb ik gespaard. Ik heb ze gevoed, zacht duwend pap in de kropjes. Telkens als 'k kwam rekten de veer-looze nekjes. Maar ik beefde bij slaan van een lijster. Want ik had eens gehoord dat een vogel, uit wraak, den dief van haar jongen