mèèèè!* raasde hij, haar toesnauwend: „...Ik maak me de sappel — ik werk me kepot voor ’n nest kindere — ik sloof me uit, godverdommèèèè! — En wat mod-’k nou beginne!... Wie betaalt? ... Een ’n makke die ’n cent borgt voor nieuwe handel!... Waar mot ’theen, mot ’t héén!.. .”
Radeloos, het geel-bol gelaat met smartkrullen om den mond, de vuisten krampachtig gebald, liep-ie heen en weer, driftig van duwstap alsof-ie z’n wagen kruide. De knoestige, harde knieën wrongen in de oude, beslijkte, afgetrapte broekspijpen, de voeten in vierkante, water-roglende schoenen, trapten tot bij het droog-zuigend hooi dat in piekingen barstte alsof een pakkist was omgesmeten,.
Mijntje bij de kachel, zwijgend, schudde een pot, wat kraking van opgehitst vet tegen het ijzer gaf. Essie, zelf niet lekker — al twee dagen most ze elk oogenblik op de ton, waar ze kreunde van kramppijn — troostte in drenzing, tegelijk met verwijten als wijs-joodsche vrouw,, die ’n schlemiel van ’n man heeft.
„... Schei uit met je gebler en geschreeuw! ... Wat geeft ’t of-ie je nou de sappel maakt?... Hadniet-zoo geweest!... Hei-’k je nie daadlijk gezeid, datjed’ran bekoch was!... An al wad-jij doet is geen mazzel, geen brooge... Hei-je je laatst niet in je vingers gesneje met beurze appele, jij met je wijgoogeme kop! —
En met je uien! — Heit-ie óók allemaal frötte uien gekoch!... Hoe ken me zoo verschwarzt zijn om twee honderd van die schtinkende kole te koope voor vier
cente ’t stuk ? Ik zweer je, ik geef ’r nog geen cent
voor, bij mijn gezond. — Kijk wat ’n mande daar met vuiligheid staan — de slik loopt ’r uit... ’t Is ’n neweire voor God, ’n nèwèire!.. /
„Leg je ziek,” snauwde Suikerpeer, stilstaand: „voor wie doe ’k ’t? Wat hei-’k ’r van? ’n Hap vrete nog nie-eens! Val jij dood! Wat klets jij, godverdommèèè, as ’t gebeurd is ... ”
Zij driftiger, ketste de vloeken: „Barscht jij! — Jij breng toch 't fressen van de kindere ’r mee door! Vraag
98