handen, paars-rood, diep in verf van rottende kool en de toppen der vingers, dik, vleezig, zonder nagels, hadden ingebeten klodders van zwaar, rauw indigoblauw. Over het geel-bol gelaat, grijs-bestoppeld, hadden ze gewreven, de tranen wegsoppend, de wangen besmerend met waternat blauw, dat ver-lekte in rood. Z’n heele lichaam, z’n kleeren, z’n pet, z’n schoenen, waren van dat fronzend, vlakkend paarsrood koolsop. En de manden waaiden een lucht in de benauwde, warm-stookte kamer, alsof een lang-gebruikt privaat open stond.
Het krijschend, snikgillend gehuil van den groentenjood, sloeg zelfs de kindren in zwijgen. Esther, Jaantje, Flippie en Bekkie zaten om de tafel, spelend met een bordpapieren prent, die Jaantje in een vuilnisbak had gevonden. Ze leien daar afgebrande lucifer-stompjes op, zeien telrijmpjes. Mijntje was bezig met ’t eten, Meijer juist thuisgekomen met groene, geelbultige augurken, stond stil in den hoek bij de dof-roode, weeke, paars-sop plassende kolen.
„Maak je nou nie van streek," zei Essie: „in gos-naam!... Wat ken je d’r an doen? ... Beter as ’n arm of ’n been gebroke... En — en was verstandiger geweest .. . D’r zit geen brooge an kool..
„Klets me niet! Klets me niet! Wat hei-’k daarmee &n me kop, godverdommè!", huilde de jood, opschokkend, de kamer doorloopend, van het lijkje naar het raam en wild met de armen bewijzend wat-ie wou zeggen: „Me heèle handel zit ’r in, Addenöj!... Waar mod-’k ’t uitscheure om Tobie te betale!... Hoe kom ’k an nieuwe handel!... Met de pest-sjabbes rotte ze nog meer!... En Zondagmorrege de lawaaie!... Wor jij daar niet mesjogge onder!... Wat mod’k beginne! Wat mod-’k beginne!... Godverdommèèèè, godverdommèèèè!..."
De wanhoop van den tegenspoed, het schrijnend-kwellende der klevende, zware kleeren, zwart van regenwater, deed ’m dierlijker, rauwer schreeuwen.
„Hou toch je schmoel voor de bure! — Geef je vijande te vrete!", zei Essie zangerig-schel.
„Laat ze de koorts krijge! ’t Ken me niet verdom-
7. 97