bij tante Reggie, Saartje en Moosje. Hij woonde alléén^ at bij Reggie. Zoo was ’t het beste geschikt, niet te duur. De kamer dee vijftig cent in de week — en hij was vrij. Bij Podnowsky, den Pool, stond de kamerdeur aan. De lamp had gestoomd. Zweving van roet was tot op ’t portaal.
»De lamp heit gewalmd, ’t Stinkt/ zei Poddy, die rondliep op kousen met knollige gaten. Aan oude bretels hing zijn broek en de paars-groene borstrok omspande de magere borst. Vaag zag Eleazar een bed op den grond, hoofden van kindren, ’t open gesprei van een bedstee^ een pot en op tafel stronken van bloemkool. Meer bij de deur stond een kleinere tafel met doozen tabak en sigaretten.
»Da’s mijn negotie/ zei Poddy, strijkend de hand door den baard en wijzend naar de sigaretten: „daar mod-ik me vijf kindere d’r monde mee stoppe. — Wi-jij d’r een rooke, ’n echte Russische, na je soupé? ’t Is ’n fijne.. .*
»Graag/ sprak lachend Eleazar en terwijl de hoekige jood er een uitzocht, keek hij naar 't matras op den grond, waar hij hoofden onderscheidde — een klein kind — een jongen met aankomend snonlons — en Rebecca die ’m aan lag te kijken, lachrig-verlegen. Bij ’r hoofd, op ’n stoel, was ’t slordig gekreuk van ’r rokken, ’r broek bovenop met nog slingrende banden.
»Rook ’m bij je soupé/ zei Poddy: »en doe niet as Dovid ’t pèstgezicht! Jij heit gelijk. Gezegend zal je weze.. /
»Dank je. Goe-nacht. Slaap wel/ wenschte Eleazar, hooger klimmend naar zijn kamer.
Er was geen licht. Tastend in ’t donker, duwde hij het raam op, schoof den manken, matten stoel bij, begon van de boterham te eten. Maar na een paar happen, in onrustige gedachten, lei hij ’t brood op de vensterbank, keek naar de dakpannen aan de overzij. Het was een volkomen donkre nacht. Voor hem uit klompten de daken diep-zwart, bizar en geweldig, vreemd-gestolten pantser over het leven daaronder, grauw-ijzren domper
95