Laag nedervlakte de zoldring-van-balken met schuwlijk dobbren van lampelicht-kringen. Op de tafel was morsig gewar van kommen, koppen en schotels, glanzerig wit, door klodders en sopjes bruin overstort. Het zeil, geel, met bloemen-gefleur en weg-krabde gaten, lei met bultende vouwen en glimmige plasjes.
Behang was er op zij van de deur —, de rest in flarden gekruld, hing los aan de wanden van spikklige kalk. De muur was ’n vervellend dier, dat de oud-doode huid van zich afschudt, 't Netst blankte de kast met deuren van klein-glazen ruitjes — er achter planken met puntige tanden vergelend krantepapier, tanden groot en gelijk, knipsel van Mijntje. Daarop borden en glaswerk, roodkoperen dingen in dofrood gevlam. Den rand van den schoorsteen, terzij van de bedstee, had Mijntje belegd met repen behangsel en ook daarin roofdiertanden geknipt, lauw nu ombollend door de warmte der kamer. Op den grond, bij de koperen kachel, lagen de kindren, Meijer vooraan, die wakker nog was. De drie andre, hoofden verzakt in de peluw van zeegras, sliepen met opene monden, leelyke kinderen, ouwelijk-joodsch. Esther, meisje van twaalf, had witte plekken op ’t hoofd, waar ’t haar school onder zalf; Jaantje, kindje van tien, had 'n groen-zwerend oortje; Flippie, ’n jongske van zes, snurkte door ’t mondje, bekrabde in slaaprig beweeg ’t hoofdje van korsten dat ’t waterig bloed be-kleefde de haren. De jongste lagen in de bedstee, waar ze sliepen met vader en moeder. Mijntje lag meê op den grond. Bram, ’t jóngste kind, onrustig van^slaap, bewoog soms met stokkende kreetjes in stuip, stil-zieklijk kindje, dat langzaam uitteerde. Bekkie het eenig gezonde, lag stil achterin.
Om de tafel zaten de menschen, bonkige lijven zwartend bij ’t schemerig schijnen der lampen, glimglans op de handen in ’t licht, vleeschrood op de gelaten, with sterke schamp langs de kommen en spullen. Schaduw van Mijntje's rug strekte stug-strak van ?r stoel over de hoofden der kindren op den grond, waduw van weifelend zwart. En de deken aan ’t voeteind, rood-met-
91