„ïjn nou zal ’k godverdomme ’n onderkruiper weze!... Kenrie ze me allemaal de maarsch lekke! ... Voor mijn part schtake ze, schtake ze tot ze de krenk krijge!... En ’n rotkoorts op de koop toe!.. . Zal ik me schikke na Dekker!... Zoo zalle z’n achterste kiezen na vore! . ..En jij je geschwollen legge! Nou zal ’k onderkruipe — nou zal ’k — Legge juillie je allemaal ziek!../ Mager van woede, de oogen uitpuilend, spuwde hg naar den grond, liep de kinderen op ’t matras voorbij, smeet de deur met bonzend geweld achter zich toe.
„Wat ’n mamsertömme!" —, zangerig zei Essie, ?t bandeau-hoofdje in de handen wieglend.
Verlegen stilte bleef tot Dovid’s voetstappen niet meer op de trap werden gehoord. Dan kwam gepraat van alle kanten. Suikerpeer, Essie, tante Reggie namen z’n partij, sprekend gelijk, elkander met spuugrig lawaai in de rede vallend, zich opwindend, druk van gebaar.
Rond de tafel smoezelden ze, Reggie over 7t raam, bij Essie en Suikerpeer. Om den hoek Rebecca, de dochter van den Poolschen jood, luister-zwggend als Mgntje, de oudste van Suikerpeer. Podnowsky, naast Eleazar, schoof naar het venster nu er meer ruimte was gekomen, ging te-keer tegen de drie, soms overschreeuwd, soms overschreeuwend, grimmig verwenschend die ’m hadden vervolgd van af z’n kinderjaren toen-ie met vader en inoeder uit Rusland was gesteenigd.
Koffie-lebberênd, moe, leeg door 't gevast, luisterde Eleazar. Soms keken z’n grijze oogen in de groot-zwarte van Rebecca, verwonderde hij zich over de frischheid van “’t ravenzwart meisje dat hier niet scheen te behooren, — dacht-ie aan de rijpheid van ’n pioen. Sterker, in grooter jeugd, was 't ongewoon wangenrood als-ie naar Mijntje keek, ook zoo van zestien, zeventien, kamer-sip, bleek, met korsten in de haren en over de ooren, wat al de kindren van Suikerpeer schenen te hebben. Even door de warmte der kamer perrelde zweet op z’n voorhoofd, maar de tochting van ’t raam, wit-slaand tegen z’n vel-heetheid, luchtigde ’m op.