zij Witjas? — Betale zij ’t vleesch! — Oggenebbiesch vléésch! Ich muss fressen! Ich muss fressen! — Voor mijn part leit Dekker zich ziek! ’n Miessemisschinne! ’k Hei ’n partij kappies angenome eo knappe jongen die ze me afneemt! Nog! Hij vertelt wat overnieuws van de schtaking! De schtaking! Narrigkat! Die laat zich mesjogge make! Hei jij in maande ’n cent gezien! Hei ik in maande ’n cent gezien? Geen brood krijg-ie geborgd! Gasserponum! Schwans! Stomme schwans! De schtaking! De schtaking! Nog!...”
Speeksel ontspetterde z’n mond en ’t gladgeschoren beenig hoofd zenuwbeefde van woede. Met driftig gebaar nam-ie de kom van de tafel, dronk, zich verslikkend bij ’t wilde geslurp.
Koel keken de grijze oogen van Eleazar en ’n trekking van trots kwam om z’n dunne bloedlooze lippen. Nog voor Dovid was begonnen te razen, had-ie gevoeld wat ?r zou komen, had-ie door de gewilde, ’r dik-opgelegde drift begrepen dat de zwager, die al den eersten avond van z’n thuiskomst over de meeting in ’t Paleis met Suikerpeer had zitten ruzieën — in kwaadaardigheidjes -en geschetter z’n onrust verborg. Zonder angst had-ie z’n woede niet klaar gehad.
„As jij wil onderkruipen," zei hij met de kalmte van iemand die de onechte opwinding van ’n ander neemt voor wat ze is: „as jij kameraden die werk hadden en ?t voor jou, voor mijn, voor honderd anderen hebben neergelegd — wil bestelen — mot je dat zelf weten. Je kameraden .. .*
„ ... Me kammerade!..." schreeuwde Dovid zangrig-schel: „Adenoj elleheine, me kamme..."
„ ... ’k Wou ook uitpraten," viel Eleazar hem bits ^n zoo domineerend in de rede, dat Dovid met nog na-mummende lippen ophield: „... As jij wil onderkruipen mot jij dat weten... Ik doe ’t niet — al krepeerden we zoo as we hier zitten van honger..." „Gelijk heit-ie,” zei de man met den langen baard. Eleazar zag ’m aan. Hij had den harden kop van ^n Poolschen jood, ’n gebogen neus in velscheur-striemen*
87