van stuiving, en een slag, holler van roep, massaler van kraking, diep-naloeiend en weder in donkre rammeiïng losgrommend, deed het gebouw in ontzetting mee-beven. Er kwamen vlammen-van-licht, rood en aanhoudend, die d’overzij-ramen met glinsterend avondrood overbloedden en het licht vlamde nog na als de bulkende klotsing door nieuw gestommel verslagen. De wind scheen heviger, Een verflarde krant, nat en met klapprende deuken, spoot van omlaag, draaide in kolking vlak bij de ramen, scheurde in twee — de einden werden gezwalpt over het dak, gierend mee op den wind, nog juist belicht door een straal die de plaats en de ramen met paarse vonken bespette.
Het duurde niet lang.
Het licht, minder schel, kreeg violette zweving, vreesachtig getril van teer-spelende vlammen. In de lucht, effen-loodblauw, scheurden wiggen zilverwit en het schichten van den bliksem verzwalkte tot vlokkig maan-licht-gestuif. De slagen, nu wgder af, grommerden domp, grijs-egaleerend het snurkend geslier der assen en schijven en het klikkend geluid van den mortier klonk als een spot en kuchend gelach.
Het werk hadden de slijpers hervat. Rijst gloeide een dop, de vingers om ’t weekend soldeer en een chips-maker, achter, floot schril-uit een deun. Nog gaven de ramen raketsels van wapperend blauw dat bleek de wanden langs schoof en spookachtig zonk om de hoofden, maar het was lief geworden, zachtlijk paars, zonder verschrikking.
Leon, met de borst half-ontbloot, kwam bij Juda, hem nog eens toonend den steen,, in achterkant geslepen, werk dat niet vlotte. Juda zei raad en een bevende lichting beaarzelde den diamant, hem begietend met groen op facetten en ribben dat-ie blonk als het lichtend oog van een kat, loerend met roode pupillen. Dan bij de zachte na-siddring van 7t licht, glaasde de steen, overglansd met zeepbellen-sproeiing, rood, groen, zilveren glijding en vervloeiing van geel, roze, oranje, lila, pensee,
77