lemmerd in hun poging tot ontvluchten lagen drie kinderen, allen gestikt door den rook. Een meisje van ongeveer tien of twaalf jaar, hield haar broertje nog in de armen. Wat den om vang van deze ramp nog verhoogt, al is het verlies niet onherstelbaar, is de omstandigheid dat verscheiden gezinnen hun inboedel niet verzekerd hadden en thans alles wat zg bezaten, verloren hebben. De namen der omgekomenen zijn: Saartje Prins, een meisje van ongeveer zeven jaar; Moosje Prins, een jongetje van nog geen twee jaar; de zieke Russische ciga-rettenhandelaar Podnowsky, meer in de buurt als Poddy bekend; zijn dochter Rebecca nog geen achttien jaar oud en zijn andere drie kinderen Serre, Sally en Rozetje. Er heerscht in de Jodenhouttuinen een algemeene verslagenheid. In ons volgend nummer komen wij uitvoeriger op dezen brand terug en zullen aan de woning-toe-standen in deze wijk, die naar de meening van iedereen oorzaak van zooveel slachtoffers zijn, een hoofdartikel wijden.”
Onbewogen stond Eleazar onder het suizend gewapper der gasvlam. Het papier in z’n hand had geen trilling. Nog eens las-ie ’t slot, nog eens als ’n vreemde bestaarden z’n troebele oogen de feller gedrukte namen. Dan, dood van gebaar, lei-ie 't krantje op de tafel, en de kleine ruimte, die ’m van z’n bed scheidde met malle stappen doorduizlend, trok-ie de deken over z’n hoofd, zonder gesnik, zonder gekreun.
Den volgenden morgen vonden ze ’m bewusteloos. Hij kwam niet meer bij. Juda, die ’m opzocht, om ’m te troosten, om ’m te vertellen van de begrafenis van Poddy en de kinderen, ’n begrafenis waarbij de heele jodenbuurt op de been was geweest — ’n begrafenis waarbij de menschen op straat hadden staan huilen, zoo aandoénlijk als de optocht was van twéé groote en vijf kleine kisten — Juda, die ’m óók had willen spreken
266