dien-ie *a middags niet herkend had, te vragen, te vragen. Bij de tafel van de verpleegsters kreeg-ie ’n ingeving. De grond ontzonk z’n voeten, toen-ie de kleine ruimte doorstapte die ’m scheidde van ’t volkskrantje, dat-ie had zien liggen. Inzakkend op ’n stoel, zöcht-ie. Midden op ’t eerste blad met vette letters stond ?n klein bericht: DE STAKING DER DIAMANTBEWERKERS GEWONNEN! — Op ’t tweede blad, óók met ’n vet hoofdje zag-ie de grijnzende letters:
BRAND IN DE JODEN HOUTTUINEN Twee menschen en vijf kinderen verbrand,.
Even lei-ie ’t krantje neer, verdwaasd, wezenloos, niet begrijpend. Dan opstaand, récht onder de lamp, zonder iets te gevoelen van uitputting of moeheid, las-ie, zonder hapering, zonder aandoening, alsof ’t ’m niet aanging.
Simpel, eentonig, dor feiten-relaas sprak ’t krantje.
„Op het eerste bericht van den brand rukte de brandweer van de Agnietenstraat en*.,het Weesper-plein uit. Bij aankomst vond zij de twee étages reeds in lichte-laaie. Onmiddellijk volgden de stoomspuiten van de De Ruyterkade, het Weesperplein en die van de Prinsengracht. Hiervan hebben echter slechts twee gewerkt. De brandweer onder leiding van den hoofd-brandmeester van de hoofdwacht aan het Weesperplein, bestreed de vlammen met alle kracht; met de slang in de hand naderden de brand-wachts het gebouw over de daken. Het waren angstige oogenblikken, die eerste minuten na aankomst der brandweer, daar men zekerheid had, dat er nog menschen in het brandende huis waren. Men^stelle zich bbvendien de verwarring, het|hulpgeroep, het geweeklaag in de overbevolkte buurt., voor, " het geloop over de straat van een aantal jonge en oudere menschen in hun nachtgewaad en men heeft zoo eenigszins een beeld van het nachtelijk tooneel
264