zonder afkeer ’r gelaat met de zware lijn der brauwen en ’t soepel-tuimlend zwart haar. Hij was over z'n wanhoop heen. ’r Kon ’m niets, niets meer gebeuren. Hij lag in de stilte der zaal — enkel de rust proevend — bijna zinlijk genietend van de vrede der ademhalingen.
Toen de zuster langs kwam, richtte hij zich zwak in
z'n bed op, vroeg waar Poddy was.
„Wie is Poddy?”, zei ze verwonderd.
„Me bovenbuurman,” sprak hij: „me bovenbuurman, die ziek lei, toen de brand uitbrak. En hoe is ’t met tante Reggie, die ’k ’r bewusteloos uit heb gehaald?” „U mag niet vrage en niet prate, heeft de dokter gezegd,” zei de zuster, die ’m niet kon vertellen van den afschuwelijken brand, waarvan de heele stad vol was, den brand die Amsterdam bij het ontbijt met
kolommen verscheurende ellende had verrast: „u mag
geen woord meer spreke. Uw borst moet rust hebben, niewaar?”
„Zeg u dan,” zei hij vrindlijk-glimlachend om haar zorg: „of de kinderen ’t ’r góéd hebben afgebracht — en of die stumper van 'n Poddy...”
„Ik zeg niets — ik zeg geen woord — als u weer héélemaal beter is, zullen we u alles vertellen — nou niet. — En maak u maar niet bezorgd, want — want.
— haperde ze —: „want ’r is niet één reden toe.”
Ze duwde de deken om z’n schouders, liep voort langs de andere bedden.
Onrustig keek-ie ’r na, angstig door ’r ontwijkende woorden, ’r zieketroost, waarvan-ie den zin begon te begrijpen. Misschien was tante Reggie — misschien Poddy — misschien één van de kinderen... Ineens rauwde ’n angst door z’n hoofd. Wie had Saartje en Moosje uit de beneden-alkoof gehaald? Daar had niemand meer bij gekend. Die waren — die konden ... In vertwijfeling zat-ie op, hijgend voor zich uit starend. De zuster was heen. Uit ’n bed aan de overzij, klonk ’t gekreun van iemand die wakker lag. Toen stond-ie op, duizelig, wankelend. Zich van bed naar bed vasthoudend, zocht-ie de ledikanten der mannenzaal af, om aan Dovid,
263