kaatste gedwerrel van smeulende spaanders en rakettende vonken de lucht in. De straat dreunde er van. Tot in de poort grommelden brokken, spatte het puin. Even fel-de de brand op, vurigde een versche gloed, braakte de ruïne vuurklodders en tollende kluiten, spoot het water als bloed — dan werd het een blazend ge-stoom, een proesten van damp, een benauwende donkerte.
De menschen dropen langzaam naar huis — alleen bij de afgezette gedeelten van ’t straatje, drongen ze te hoop, angstig pratend, kijkend naar de brancards en gasthuismanden. Tusschen de huiswanden gromde ’t gestamp der stoompomp. Wirrelend spetten de vonkjes uit den dikken nek der machine. Het kreunde en reutelde over de gracht, over de daken. De flambouwen, verperst in den wind, belauwden de tegels en stoepen, de vensters, kozijnen, wiegelden staalglansjes. En nu de laaiende golvende gloed niet langer het gewoel der jagende wolken bedekte, scheen in de verte *n schim-wazend maansikkeltje.
XVI.
In ’t gasthuis kreeg-ie dienzelfden nacht tweemaal een bloedspuwing. En den volgenden dag, koortsig door z’n brandwonden, lag-ie in half-bewustlooze zinning, nauwlijks het gebeurde in nevel herziend. Dovid, die in dezelfde zaal lag, bijna geen letsel had opgeloopen, ging nog voor donker heen. Hij wou met Eleazar praten, ’m opbeuren, kreeg geen antwoord.
Eerst in de stilte van den nacht, bij het slaapgerucht in de bedden naastan, kwam de volle ruwe ellende tot ’m. Na Rebecca’s folterende woorden op ’t portaaltje, na z’n doffe wanhoop in ’t Park, was alles in één koorts geschied, had-ie moeite de schakels te hervinden. 9t Sterkst was ’m het benauwend geworstel met tante Reggie’s slap-geknakt lichaam bijgebleven, ’t lichaam dat-ie uit de alkoof door de brandende kamer had gesleept.
In scherp-opkleurend herinneringsbeeld, zag-ie ’r vreemd zilverwit hoofd, ’t hoofd zonder den bandeau,
261