„Jö, wat *n straal! Kijk die kerel is zitte op ’t dak!* „7k Wou da’k bij 7m moch —- je ziet haast geen flikker." „Jij zou nie op ’t dak durreve.”
„Dat denk-ie maar. Je mag nie voor de smerisse!” „Zweet jij ook zoo?"
„Da’s lekker — ’k Hei kramp in me poote van de kou." „Hè! Hè! ’k Wor bang! Hè, wat "n vlamme!"
„Nou mot je diè zie». Da's de baas van 7t spul. Die vreet de andere op . •
Toen zwegen ze in schrik.
Want het vuur voortwoelend, had de voorzij der huisjes, naast de poort aangetast. Eerst lichtte het zwak in de kamer, alsof iemand met ’n lamp binnen kwam en wat zocht, dan bij een klagende juiling van den wind stiet een krommende, watelende vlam de benedenruiten stuk. Ineens gruizelden de glazen, bedekte een krimpende vlam het kozijn. En er gebeurde iets, dat de jongens verstomde, dat ze huilrig benepen dee kijken. De men-schen die gevlucht waren, hadden een lompen, grof-pootigen hond achtergelaten, ’t Dier half gesmoord door den rook, stak z'n kop door de ruit, trachtte zich op te trekken. Een brandweerman, begaan met ’<; gejenk en gehuil, zette 'n ladder tegen ’t kozijn, sloeg z’n hand aan ’t nekvel, greep, week terug, ’t Dier, gepijnigd door ’t den vloer doorknagend vuur, beet naar den vreemde, glee terug. En toen 7n straal op 7t vlammend gerinkel gericht werd, schrilde dezelfde rauwe, huiveringwekkende gil van straks.
In breede opzwaaiing spoot het water van drie, vier zijden in het teeder spel van den hemel. Violette, zacht getinte wolkjes dreven af, ombuild door grijs-bleeke dampen. Boven de poort stoeide ’t gehos van gele, likkende tongen, karmijn van verstuiving en het hol, zwarte romp tegen het rose geweerlicht, kreeg de dofroode schaduw van nagloeiend hout. Het water neerstortend, plaste de gracht in, kletterde langs het karkas van het huis, over-sissend het hijgen en kreunen der binten. En een plotseling-beukende slag van rogglende steenen,
260