kleumrig, rillend met bevende kaakjes door ’t tochten van den wind, bleek van slaap, stonden versuft in ’t somber gepurper der poort. Dirk die z’n kousen en schoenen vergeten had, wou terug, kreeg ’n opstopper van z’n vader, die enkel met broek aan, 't gereedschap, de schoenen en rollen leer aan den driftig-jagenden agent reikte.
„Vooruit! Vooruit! Motje levend verbrande!”, haastte deze, de hand naar de zij van de schroeiende binnenplaats, om de hitte te keeren.
„Mot ons net gebeure — mot ons gebeure!”, huilde de vrouw, log van snikking.
„As je d’r nie uit komt, mietere we je d’r uit!”, dreigde de agent.
„Ken ’k den zoo, sallemander!”, huilde de vrouw harder snottrend, ’t kind opgevend aan den schoenmaker, die lichtschuw naar het gedaver van den gloed keek. Bukkend, stroopte ze ’r kousen aan, stapte in de sloffen, greep nog wat kindergoed, 'n schoenmakershamer en ’n els van den grond, liet zich onder de armen heffen. Bij mekaar stonden ze in schuiling, de man met het klagend Aagje op den arm, de vrouw met Truus en de jongens. Vinnig beet hun silhouet tegen het bloedzwangre poortgat.
Uit alle sloppen en stegen kwamen mannen en vrouwen. Het licht uit de poort begutste de gelaten, de starende oogen, de angstig-pratende monden. Soms braken de gezichten, gestriemd door ’t saterend rood, met lachende jukken en bewegende neuzen naar voren — soms als ’n rookzwalping door den gloed joeg, weken ze bleek-schrikkend. Het gekrijsch en gehuil werd overknetterd door ’t splijten der balken, het kraken van spinten en planken.
Toen, juist bij ’t ver geklingel der aanrukkende brandweer, snerpte ’n gil zoo gierend, zoo snijdend van mart-ling, dat de wijven voor de poort mekaar de woorden besnauwden. Een angstig, brullend geschreeuw leek den gloed terug te slaan. En in de na-dempende, zuigende stilte, klonk ’n raspende hulpkreet, *n dierlijke roep.
17 257