„Addenoj! Addenoj!”, schreeuwde Suikerpeer, de armen smartlijk heffend: „Addenoj! De vlam slaat na bove? ’t Huis, ’t heele huis gaat na de raschmedij! Saartje eh Moosie legge d’r in!”
„En Poddy en Rebecca en de kindere!”, huilde Mijntje.
„’k Ga d’r in! ’k Ga d’r in!”, gilde Suikerpeer, ’n traptree bestuivend.
Dat maakte Essie van ’n bezeten verwoedheid. In de aanzwellende róssing van raam en deur, giftig-beangst, greep ze ’m bij z’n hemd, en ’m kwaadaardig met ’r dikke handen op z’n gezicht kletsend, dat-ie z’n oogen in verwering moest schutten, krijschte ze gillerig: „Vuilik! Vuil mamser! Lamme smeerlap! As-je één stap doet, haal ’k je oogen uit je smoel! Vuilik!” „Addenoj, ken-je ze levend late verbrande!” schreeuwde hij, ’r slaande handen ontwijkend.
„Je blijf d’r uit! Je blijf d’r uit! Je heit zes kindere, sodemieter!”, raasde zij.
Toen de handen als ’n roeper voor z'n mond zettend, begon de groentenjood in het zwart-rookend, vonken-spettend trapgat te brullen : „Brand ! Poddy ! Rebbecca! Braaand! Braaand!”
’t Gerucht had nog ’n agent doen aanloopen. Wijven en mannen uit het overzij-slop, in haastig aangeschoten kleeren, stonden te gillen, raad te geven, te jammeren. Het was een korte, snelle, heftige verwarring. Terwijl de eene agent bezig was de levensgeesten bij Dovid op te wekken, leien de anderen Eleazar en Reggie onder bij mekaar gescharrelde kleeren op de handkar van de plaats, en omdat Dovid niet bij kwam, werd-ie naast Eleazar getild. Haastig duwden ze den wagen de poort uit naar een buur in de straat tot de brancards zouen komen. Suikerpeer, met Reggie, Mijntje en de kinderen, op bloote voeten, huilend door den gierend-kouden wind die de hemden op de bloote borsten dee flappren, strompelden mee. Bij Poddy één-hoog, boven Reggie’s kamer begon het zijwaartsch dakraam lachend licht naar de daken te spuien. Niemand dorst de knettrende trap op.
254