Suikerpeer en de kinderen. Essie benauwd-kuchend, liep te huilen, te krijschen. Nog voor ze benejen waren, dol van angst om wat in de kamer bij Reggie gebeurde, de handen voor de oogen om de schroeiende hitte niet te voelen, de haren verzengd, stortte Eleazar naar het raamlooze hok. Voor-ie den deurknop te pakken had, voor-ie in de folterende rook-bersting den tusschen-drempel bereikte, wankelde-die duizelend. Stikkend, braak-hoestend, tastte-ie de. alkoof in, greep de blinde om ’t magere middel. Met wanhopig geweld, hijgend, reutel-ademend, smorend, sleurde-ie ’t bewegingloos lichaam tot aan de schoorsteen-huif. Daar hakend tegén ?t matras, waarop Dovid had gelegen, smakte-die met haar op den grond. Een oogenblik verdoofd door den aanploffenden rook, machtloos, ’t hoofd op de magerte van Reggie’s lichaam, bleef-ie liggen. Dan zich wanhopig, kermend afduwend, in doodsbenauwing strompelend, greep-ie de vracht weer die 'm nekte, trapte-die ademknersend op een van ’r slingrende handen, sleurend, trekkend, worstlend, fot-ie in de brandende kamer was. De breede, zwiepende vlammen slangden tegen ’m aan, schroeiden z’n gelaat, blakerden de handen die als klauwen de oude vrouw hielden, krinkelden om ’r slap-geknakt lichaam, ’r zilver-spartlend haar. De agent, die Essie en Suikerpeer over de vonkende trap had geholpen, zag ’m beulen, deed ’n paar passen, strekte angstig de handen, struikelde terug. Mijntje, die Bekkie suste en Reggie met Eleazar in de kamer hoorde, gilde dat ’r gekrgsch langs de wanden opgierde. ,Dat fel, snijdend geklaag, scheen Eleazar te zwiepen. Den rook met raspende stooten inslurpend, grimmig de tanden knersend, rukte-ie de blinde in z’n armen, stapte met één zet door de vuurlaaiing heen, liet ’r in volle bezinning, alsof-ie wist wat-ie dee, zacht en pijnloos op de steenen glijden, trapte met dronken gebaar de roodvretende gaten van 'r ondergoed onder zijn voeten — dan mal-zwaaiend, naar ’n vasthou grijpend, viel-ie bewustloos tegen den grond, yt doodsbleek gelaat verpurperd door den gloed uit de deuropening.
253