Diamantstad

Titel
Diamantstad

Jaar
1922

Overig
3ed

Pagina's
268



meer kwelde. Nou begreep-ie volkomen. Nou zag-ie ’r doen, Jr kijken, ’r lachen in ’n tragisch, noodlottig verband. Tóen had-ie ’r 't allereerst ontmoet, bij Suikerpeer, 7r driestheidjes opgelet, zich gestooten an ’r oogen — later in de hal van de school bij ’r brutaal terugkijken, 7r gemeenen lach, ’r leunen tegen de zuil, was ze al zonder weerstand geweest, hadden z’n handen klam-zweetig gebeefd — later, op z’n kamer na ’t heengaan van Saartje had ze Jt al gèzègd van Joozep — hoe ze dicht op mekaar kropen voor de kou — had ie staan glimlachen om ’r plotseling vertrouwen. Als ze wist wélk ’n rampzaligheid ze bedreef, zou ze geen woord hebben gezegd, zou ze schuw hebben gezwegen. Ze wist niet. In ’t donker portaal, bij de eerste omarming, was ze niet verschrikt, niet verrast, niet bleu geweest, had ze wild gezoend en gezoend, zonder aarziing, zonder gehaper. En in ’t begin van den avond, bij ’t knettrend eindje kaars — hoe ’r tanden pijn deeën, hoe ze op de trap z’n knieën omgreep — en later ’t gesnik dat-ie niet wou wat Joozep, Joozep... Ze wist niet. Ze praatte over ’t schrikkelijkste, jam-merlijkste met de losmondigheid van ’n kind. Als je begrip van iets gemeens, nacht-liederlijks had, zweeg je. ?n Hoer zei zulke dingen nog niet. ’n Hoer zou liever ’r tong af bijten voor ze er diè schande uitflapte, uit-huilde in de armen van 'n krankzinnig verliefde. Ze wist niet. Hoe kon ze weten? Hoe kon Joozep weten? Joozep was jonger dan zij, een, twee jaar jonger. Joozep was ’n stumper als zij, Had-ie gister niet bij de tenten op ’t ijs gestaan en als-ie honger kreeg 'n sigaret stuk gewoeld om de tabak te kauwen? Zij, enkel thuis, passend op de kinderen — Joozep, bang joden-jongetje dat haast nooit sprak, dat besnauwd werd als-ie niet verkocht. Was 't wonder, dat 7t gebeurde? Smeet niet de ellende broers en zusters, jongens en meisjes bij mekaar — in een bed — op een matras? Leien ze niet overal zoo in de jodenbuurt? Zelf, als jongen, had-ie naast Esther, Bram en Jozef op den grond geslapen. Esther, Bram, Jozef waren dood — hij leefde — hij kon navertellen — hij wist dat ze als kindren ’s morgens stoeiden, mekaar







249

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.