ademd, één adem, één zoete, overgegeven wieging, één verrukking in luidlooze oneindigheid. Zenuw-bevend, liet-ie zich weer door ’t purper-klotsende der herinnering bestuimigen. Het was of de nadering van ’t vroeg-donker, de schaduw-kruiping op den overzij-muur, 't aanzwellend fluiten van den wind, de vereenzaming van de plaats, z’n zonderling berekenen tot onrust, dweeperig verlangen koortsten. Yoor de deur hurkend, de hout-meppen aan z’n voeten, 't bijltje vergleden, zat-ie de leegheid van z’n arm hoofd te doortasten. Wat was ’t laag en laf-aarzlend, als je ’n jong ding als Rebecca met de drift van je lippen beheftigde — als je ’r de hijging dee ondergaan van ’n plots opklaatrende passie — en dan weg bleef — bot weg — geniepig weg — hij, ’n man — zij, ’n jong, jong schepsel. En wat beloog-ie zichzelf — wat had-ie als goor verstands-kereltje met onverklaarbaarheden gesold. Zag-ie nog niet ’r oogen, zooals-ie ze den eersten avond bij Suikerpeer had gezien — die oogen van glanzend zwart met paarse bestuiving — die volle, groote, onmeetbare oogen? Zag-ie ’r nog niet schuin over de prent Wilhelm Teil befreit sich durch einen Sprung aus Geszler’s Ge-fangenschaft — naast Mijntje? Zag-ie 'r nog niet onveranderd, ’r sappig gezichtje, den tuimel van het haar, de gebogenheid van den rug, ’t speldje dat de blouse toehield? Wat had ze sinds maanden *n leven gehad — daar boven — in ’t hol van ’n kamer — altijd geduldig bij ’r zieken vader, niet uitgaand, nauwelijks slapend. Kleedde ze niet ’r zussies Serre en Rozetje — 'r broertje Sally — vond-ie niet telkens in z’n kamer ’t doen van ’r meisjeshand, die z’n snippers raapte, z’n brochures die-die niet had kunnen verkoopen, netjes lijnend, dat niet één ongelijk stond? Hg möst ’r effen zien, enkel zien, enkel bij den eersten nieuwen oogopslag voelen of-ie ’r kwijt was — of had — had — voor goed.
Koud, ziekelijk-rillend, dee-die de deur open, ineens naar de bedstee kijkend om ’r te ontgaan. Poddy sliep.
231