had ’m met dweepziek geraaskal, met platte beschimping van de heilige schrift zoo geërgerd, dat-ie moeite had gehad ’m geep draai om z’n ooren te geven. Dit van vandaag, spande d% kroon. ’n Goddelijk symbool afrukken, ’n kwaadaardig beweren dat mezoesos niet behoorden op de deurposten van armen, dat was zóó tergend, zoo door en door driest, zulk een hoon van den God-van-Israël, dat-ie ïiaar schampere woorden zocht.
„As jij — as jij —,* hakkelde hij: „as jij tot de jaren des onderscheifts ben gekommen — zal jij tot ’t uur van je dood beroiiw en wroeging hebben over dat — over dat...8
Z’n week-zinlijk gelaat was bleek van ingehouden woede, z’n lippen beefden.
„Waarom? -+- Waarom?*, zei Eleazar, met’t onprettig gevoel, dat-ie zich niet had kunnen bedwingen — hij en de onderrabbijn waren uitersten, twee vijanden-voor-altijd — wat gaf ’n dispuut? — wie won d’r bij? — wat schoot je ’r mee op, als die man dacht, dat-je ’r plezier in had ’in ongehoord-scherpe dingen te zeggen? — was de strijd niet gróót genoeg om 't zonder krakeel van zoo bitsen aard te bereiken? —: „waarom?” —, vroeg-ie nog eens met ’n schijnbaar-angstige wijking in de stem: „waarom zal ’k wroeging hebbe over iets dat me koud laat ? — 'k Ben niet de eerste — ’k zal niet de laatste zijn .. .*
„De minste christen heeft voor dat eerbied!* — driftigde Druif, de weeke hand aan den deurknop: »de minste christen spoegt op joden as jij!*
„Joden as ik,* herhaalde Eleazar mat: „weten dat eindlijk de Messias is opgestaan...*
Toonloos sprak-ie dezelfde woorden die-ie dien avond in de sneeuw tot Juda gezegd had — 't leek 'm zoo pimpel, zoo klaar, zoo ’t éénige om je an vast te houen.
„De Messias! De Messias!*, zei Druif, hartstochtlijk-verwoed pratend: „wat doe jij met zulke namen in je mond, aap, kwajongen, freche vlegel!*
„De Messias — de Messias,* zei Eleazar nog eens: ,as we die niét voelde, as-die in onze krotten geen
222