Op de binnenplaats speelden Saartje, Meijer-van~ Suikerpeer en Jan-van-den-schoenmaker. Ze hadden een grooten sneeuwbal gerold, heen en weer, tot-ie ?n reus was geworden, vet en lomp met overal zwarte kinderhandjes er In.
„Nou — wat 7n kanjer, sodemerakel!", schreeuwde ?t manke jogje, pijnlijk de vingers beblazend.
„Zou-die niet breke, oome?”, vroeg Saartje, ’t groezel-gezichtje roöd van het werk.
„Ach, bè-je belazerd!9, riep schoenmakers-Jan: „je ken d’r op staan!...”
Samen drongen ze den bal voort, de donkere poort door naar ’t straatje. Klonken hun stemmen frisch als de sneeu^, onder 't steenen gewelf. Even stond Eleazar in luistring. Dan liep-ie binnen bij tante Reggie, die in ’r stoel sliep, den mond hijgend open.
XIII*
Wrokkend liep-ie den Amstel langs, de tintel-kouwe vingers in de lauwte der broekzakken. De sneeuw klukte onder z'n voeten — z’n adem stoof in ploffend gedamp. *t Was ’n belabberde nacht, 'n verbijsterende morgen geweest. Toen-ie Reggie wel-te-rusten wenschte, had-ie moeite niet in snikken uit te barsten. Ze zat in de onverwarmde kamer, bij de uitgaande lamp — had niks gegeten dan 's morgens 'n homp brood, ’t laatste dat de bakker borgde — an alles kwam ’n end — nog meer poffe dee-die niet.
„Wel te ruste,” had-ie benepen-hijgend gezegd.
„Dag jonge — slaap lekker,” had ze geantwoord, de handen, vredig-van-wrijf in den schoot.
Toen had-ie de deur achter zich gesloten, even op de binnenplaats staan zinnen, vinnig, triestig en mal. De terging, de vervloekenis, dat ?n blinde niet te vreten had! Den knop hield-ie in de hand, alsof-ie iets beestigs beging met zóó heen te gaan. En over-gevoelig, gek, niet nadenkend — as je ?n heelen dag had gevast, kreeg je van die helle, waanzinnige oogenblikken, waarin je
172