denk an de macht van ons allen-tezamen, an de macht die over wint" ...
Brusk zweeg hij, stapte houdingloos achteruit, terwijl goedkeurend gegrom en geklap op ’m toe-dreunde. De traptreedjes af-schuchterend, met armen die plots lomp-willoos slingerden, ’n lichaam ganschelijk onbeholpen van verlegen dronkenschap, ’n gelaat dat zenuwtrok, niet tegen den dagschijn in scheen te durven, zocht hij met beverige wils-verdwaasdheid ’n plekje om onopgemerkt te schuilen. Het was of de koortsige bewustheid ’m sullig uit de hersens droop, of-ie gruwelijk-ingespan-nen ’n boek had zitten lezen, zonder overgang in schril morgenlicht keek. De achterhoofd hoeken tintelden pijnlijk — klopte een kramp-strooming van z’n nek over de steile nekhaartjes — zoog z’n denken moeïg weg, met opschichtende verwijtjes dat-ie slécht had gesproken, niemendal gezegd, dat-ie an ’t doorslaan was geweest — dat-ie geen woord meer wist — geen woord. — ’n Ander sprak, de sneeuw waasde sterker, grooter van vlok, natter van smak. Z’n hoofd stond te luistren, bleek en oud, z’n hoofd dat als ’n gedrongen ding, zonder afmeting, zonder ronding, zonder steun voelde — zag-ie alleen de haren van z’n snor die barstig onder den witten neus wipten.
Toen-ie wat kalmer werd, toch met een nalooming van drukkende afgematheid, zocht hij Juda en Hes, vond ze niet. En opnieuw schrgnde ’n heet-klamme ontevredenheid in ’m op, begonnen z’n handen kleverig te branden, prikkelde 7t vreemd-dor in z’n tong bij ’t denken aan ?t éérst moment van z’n spreken — de hersenleegheid — de volslagen wilde afwezigheid — de visie van den ruigen, piesenden hond. Zanikerig, drenzend, zonder aandacht naar de tent starend, trachtte hij z’n woorden-van-straks te hervinden, te herhalen. Als-ie alles zoo innig voelde, zoo hartstochtelijk in zichzelf wist te zeggen, waarom stikte-die dan in gebrabbel en gehakkel — waarom kon-ie dan nou niet den eenvoudigen zin van z’n stortvloed formuleeren? Waarom trilde jena? Waarom
167