sprak je tot Juda of Hes of Klaroen gewoon, bedacht? rustig, en kwam ’r als je tot ?n massa lang-geweten dingen wou zeggen, ’n duivel achter je staan, die je hitste, sarde, kwelde, tot je denken an flarden hing en je begon te ijlen, te ijlen in ?n róés... Waarom was je ’t praten tot ’n menigte verleerd, 't simpel gevoelig praten over absolute waarheden, die je niet meer zoo simpel, zoo gevoelig waar kón maken als je st<jnd door allen bekeken? Waarom zei je dan grove, onrustige* plotseling-opwellende dingen, werd je gezwollen, hol, duf, romanphrase-achtig ? Toch móést hij er door, voor nu en voor later, als-ie ’n róéping had, als-ie de lijn van den tijd volgde, de tijd die een sterke, bewuste, overal hel-klinkende stem had ... Opgeruimder schudde hij de sneeuwvlokjes van z’n jas. ’t Dee ’r niet toe hóé-die ’t gedaan had. Ongeveer was ’t bereikt. Ja, ’t was ’n verluchting dat-ie ’t durfde, dat-ie de dompe, vervalende sfeer van ’t krot waarin-ie leefde, ineens, zonder aarzling had afgeschud en in ’t volle licht had gestaan om z’n kameraden te bemoedigen, op te wekken. O, o, dié schuimende heerlijkheid had-ie bedreven — ze hadden gejuicht — ze hadden begrepen — ze hadden in de handen geklapt om één van d’r ellende-genooten, om één die plots voor ze was komen te staan. O, o, ’t geluk dat je nou overal, overal, uit alle menigten, schuwe mannen zag rijzen, die éérst hijgden en mumden, dan vanzelf ’t pad vonden om met zekere gebaren de veilige richting aan te duiden... De oude peinzer was in 'm wakker geworden en een zachte blijheid, 7n lieve warmte van hoop en berusting groeiden, nu de overspanning verdween.
Prettig-wild stoof de sneeuw toen-ie met Juda tus-schen de menigte liep. Den grauwen hemel zag je niet door ’t wijde gestraal, ’t druk-sproeiend wriemlen der vlokken. Voor hen gingen mannen met sneeuwplakken op de hoedbollen, sneeuwstrooisels op de schouders, sneeuw op de ruggen, sneeuw in de haren, sneeuw op de schoenen, sneeuw om de hoofden. Over de kozijnen>
168