.. Toegeven doen we niet, morgen niet — toegeven doen we nooit! Wat we vandaag willen, willen we morgen. Kameraden — we zijn pas an ’t begiü — an Jn begin, an ’n léélijk begin. Kijk om je heen, over de hekken van ’t Park, kijk over de gracht. We wonen as beesten, we hebben vreugden as beesten, we worden gebruikt as beesten en as beesten vermoord as we ons verzetten ...”
Voor de tweede maal hield hij op. Driftig gejuich barstte los. Maar bijna daadlijk, de handen als klauwen om de balustrade gewrongen, het lichaam heftig vooruit, de oogen vlammend van woede, onherkenbaar voor wie ’m daaglijks waarnamen als zwijgenden, denkend-ge-sloten jongen, sprak-ie in één roes voort: „ ... As béésten! — Néé, we géven niet toe! — Markus zeit dat ze bij ’m thuis hongerlijjen — dat wéten we, Markus — dat begrijpen we, Markus -- we huilen ’r om, Markus — we zouden je willen helpen, Markus —: hebben wij ’t anders? — Krijgen we ’t béter, as we uiteengaan, as we voortslaven op ’t ouwe loon, op de ouwe voorwaarden, bedrogen, bestolen op de ouwe manier, zonder één kans om ’t in de eerste jaren op te halen? — Kameraden, luister niet naar Markus, Levi en Beem! Waarom zouen we moedeloos zijn, zoolang we macht hebben. Wij hebben de macht, hier, overal, wij arbeiders, wij alleen! Wij hebben de macht, als we staan schouder naast schouder, hoofd naast hoofd, hart naast hart! Wij, wij alleen, as we eensgezind zijn, eensgezind tot in den dood, den strijd prediken zonder genade, oog voor oog, tand om tand, omdat ’r voor ons geen genade is — geen genade, geen recht! — Eeuwenlang zijn we ’n kudde geweest, 'n getrapte, mishandelde, weerlooze kudde — laten we ’t nou schreeuwen tot mekaar, schrééuwen, op elk uur van den dag, dat wij de macht hebben, wij hongerlijjers — as we willen.”
Het applaus en geroep overdreunden z’n driftige woorden. Dichter drong de menigte op, wonderlijk-teer bespet door het stuiven der eerste sneeuwvlokken, die uit den grauw-dreigenden hemel bleek-bevend vielen.
165